Varkenshouderij

Achtergrond

Overstap op nieuwe gelt vraagt slimme strategie

Overstappen op andere genetica betekent een tijdlang verschillende typen zeugen op het bedrijf.

Overschakelen op een andere gelt gebeurt regelmatig in de varkenshouderij. Zeugenhouders stappen over op genetica van een andere organisatie, zoals enkele jaren geleden veel bedrijven zijn overgeschakeld naar Deense genetica. Maar ook binnen lijnen van de eigen leverancier wordt gewisseld. Zo is overstappen van Topigs 20 naar TN70, twee lijnen van Topigs Norsvin, momenteel populair.

2 typen genetica

Elke type zeug heeft een eigen gebruiksaanwijzing om zo lang mogelijk maximaal te kunnen presteren. Bij het aanschaffen van nieuwe gelten zijn dus enkele jaren 2 typen genetica aanwezig met eigen eisen aan onder meer opfok, voeding en gewichtsontwikkeling. Om dat goed te managen, is het belangrijk dat de zeugenhouder deze verschillen kent. In veel gevallen zal dat kleine of grotere aanpassingen vragen. “De grootste fout die zeugenhouders kunnen maken, is niets veranderen in het bedrijf”, is de ervaring van René Lemmens, specialist varkenshouderij bij Voergroep Zuid. “De crux van een succesvolle overgang naar een andere gelt is analyseren en monitoren.”

Eerst strategie bepalen

Arno Joosten, manager adviesteam bij Topigs Norsvin, adviseert eerst met betrokken partijen om tafel te gaan en de strategie te bepalen. Dat zijn de varkenshouder met de adviseur van de fokkerijorganisatie, de voeradviseur en de dierenarts. “Dat is belangrijk om alle aspecten rondom de overschakeling in beeld te brengen en te benoemen waar en welke aanpassingen nodig zijn.”

Voer en voerregime afstemmen op nieuwe gelt

Een grote impact heeft mogelijk het voer en voerregime. Ondanks aandacht voor individuele zeugen ontkomt een ondernemer er niet aan concessies te doen. De behoefte van de nieuwe zeug is het uitgangspunt, zeggen Lemmens en Joosten; die moet immers het langste mee en is de toekomst. “En oudere zeugen kunnen wel een stootje hebben”, benadrukt Lemmens. Dat is zeker als het gaat om de ideale gewichtsontwikkeling en het bijbehorend voerregime.

Een nieuwe gelt aanschaffen betekent tijdelijk twee typen genetica op het bedrijf. Dat vraagt vooraf goed plannen en monitoren hoe de gelten het doen. - Foto's Bert Jansen
Een nieuwe gelt aanschaffen betekent tijdelijk twee typen genetica op het bedrijf. Dat vraagt vooraf goed plannen en monitoren hoe de gelten het doen. - Foto's Bert Jansen

Combinatie lactobrok met transitie- of prelactovoer

Praktisch betekent dit dat het type mengvoer tijdens de dracht en de kraamstal optimaal afgestemd moet zijn op de nieuwe gelt. Lemmens ziet dat in de kraamstal voor hoogproductieve genetica vaker voor een luxe lactobrok wordt gekozen. Het meest ideale is een combinatie met een zogenoemd transitie- of prelactovoer.

Sturen met de voergift

Om de oude zeugen correct te voeren, kan het nodig zijn met de voergift te sturen. Bij voerstations gaat dat gemakkelijker dan bij vloervoedering of voerligboxen met uitloop. Met extra hekwerk kunnen in de dragende zeugenstal groepen worden gemaakt met zeugen met dezelfde behoefte. In de kraamstal blijft het goed kijken naar de behoefte van de individuele zeug. Met een andere kleur oormerk zijn nieuwe en oude zeugen altijd goed herkenbaar. Automatische dosators bieden dan voordelen.

Overschakelmoment van dracht naar lacto

Los van de nieuwe genetica is het overschakelmoment van dracht naar lacto vaak een aandachtspunt. Sommige bedrijven werken met een dergelijk transitie- of prelactovoer; andere schakelen direct over op kraamstalvoer of voeren in de kraamstal nog een paar dagen drachtvoer door. Een enkeling schakelt pas na het werpen over op lactovoer. Kortom, het voerregime rondom werpen is zeer bedrijfsspecifiek en het is de vraag hoe de nieuwe genetica hierop reageert.

Joosten verwacht niet dat de andere genetica op zich daarin een rol speelt. “Het is vooral een verteringsproces en dat is onafhankelijk van het ras zeugen. Maar als het al niet lekker loopt, is dat wel een goede reden er met adviseurs voor en tijdens het overschakelen goed naar te kijken.”

Biggenopfok

Naast voeding vragen alle processen op het bedrijf een analyse hoe de nieuwe gelt daarin past. Van de berigheidscontrole en het inseminatiemoment tot het overlegbeleid in de kraamstal en zelfs de biggenopfok, aangezien deze ook van een andere kruising zijn. Denk ook aan afstemming met de afnemers. Dat er tijdelijk twee verschillende typen zeugen aanwezig zijn, maakt dit alles wat lastiger, maar het hoeft geen probleem te zijn, uitgaande van het vakmanschap en individuele aandacht door de varkenshouder. Ook daar geldt dat een herkenbaar oormerk of zo veel mogelijk dezelfde zeugen in groepen bij elkaar houden het gemakkelijker maakt.

Een plaats waar geen dubbele genetica ligt, is de opfokperiode. Dat is echter wel de meest cruciale periode waar in de praktijk nog veel misgaat. Volgens Joosten begint een succesvolle geltenopfok met de juiste quarantaine en adaptie. Daar schort het in de praktijk nogal eens aan.

Werk aan correcte quarantaine en adaptatie

Succesvol gelten introduceren begint met een strikte quarantaine en adaptatie. Op veel bedrijven is daar nog winst te halen.

  • Plaats de quarantaineruimte in een aparte stal op het externe bedrijfsgedeelte. Ook mogelijk maar minder ideaal is een aparte afdeling. De quarantainestal mag op geen enkele manier in contact staan met de overige afdelingen, ook niet via mestputten en ventilatie.
  • Zorg voor een deugdelijke inrichting van de quarantaineruimte, zoals bij een opfokstal. Dat betekent een droog hok met goed klimaat, voldoende licht en halfroostervloer.
  • Beschouw in het dagelijkse werk de quarantainestal als een apart deel binnen het bedrijf. Bezoek de stal als laatste. Maak een aparte omkleedruimte met eigen kleding.
  • Plaats gelten minimaal tot acht weken voor de eerste inseminatie in de quarantainestal. Mochten ziektes aanwezig zijn, dan kunnen ze in die tijd tot uiting komen. Dit is ook de periode om vaccinaties uit te voeren. De gelten kunnen dan in alle rust bekomen.
  • Overleg met de dierenarts over hoe en wanneer de gelten in de laatste fase in contact komen met bedrijfseigen kiemen. Gelten kunnen wennen aan de heersende kiemen, maar kunnen ook besmet raken met ongewenste ziekmakers.
  • Laat gelten voor de eerste inseminatie wennen aan voerligboxen. Ze blijven dan nadien beter vreten en hebben minder stress rond de innesteling. Een optie is om in de quarantainestal enkele voerligboxen met uitloop te plaatsen.

Elke gelt een eigen streefgewicht

Daarnaast is voeding voor de juiste gewichtsontwikkeling bepalend voor de toekomst van de gelt. Joosten benadrukt dat elke type gelt een eigen streefgewicht voor de eerste inseminatie en worp heeft. Bij nieuwe genetica is het dus belangrijk daar rekening mee te houden. Het algemene advies is om de gewichtsontwikkeling en prestaties goed te monitoren zodat indien nodig snel bijgestuurd kan worden. Joosten vindt het belangrijk dat de zeugenhouder snel ‘zicht’ krijgt op de nieuwe gelten. “Een TN70 toont toch anders dan bijvoorbeeld een Topigs 20-zeug. Een bijkomend voordeel van consequent gelten en zeugen wegen, in combinatie met een beoordeling van de conditie, is dat de ondernemer zichzelf kan ijken.”

‘Ga er maar van uit dat de ziektes die we kennen slechts het puntje van de ijsberg zijn’

Een ander aspect is gezondheid. Als een zeugenhouder omschakelt naar een andere fokkerijorganisatie komen de gelten vrijwel zeker van een andere subfokker. Maar dat kan ook het geval zijn bij omschakeling naar een andere lijn van dezelfde fokorganisatie. De gelten zijn dan in aanraking geweest met andere kiemen en kunnen vrij zijn of vaccinaties hebben gehad tegen andere ziektes.

De voersoort en -gift is zo veel mogelijk afgestemd op de behoefte van de nieuwe zeugen. Eventueel kan de varkenshouder voor de oudere zeugen de voergift wat aanpassen. Over het algemeen kan het wel wat lijden.
De voersoort en -gift is zo veel mogelijk afgestemd op de behoefte van de nieuwe zeugen. Eventueel kan de varkenshouder voor de oudere zeugen de voergift wat aanpassen. Over het algemeen kan het wel wat lijden.

Adequate quarantaine en adaptatie cruciaal

Volgens John van der Wielen, dierenarts bij de Varkenspraktijk, moet een nieuwe gelt altijd minimaal dezelfde maar liever nog een hogere gezondheidsstatus hebben. Verder is een adequate quarantaine en adaptatie cruciaal. “Ga er maar van uit dat de ziektes die we kennen slechts het puntje van de ijsberg zijn. Een periode van 12 weken is altijd belangrijk, maar zeker als een ondernemer van leverancier wisselt.”

Groepsgedrag van zeugen

Louter het feit dat twee typen genetica naast elkaar staan, heeft volgens Van der Wielen op het gebied van gezondheid weinig gevolgen. Hij ziet wel een aandachtspunt in het groepsgedrag van dieren; elk type zeug heeft een ander karakter en gedraagt zich anders in de groep. Hij adviseert bij te grote verschillen hetzelfde ras zo veel mogelijk bij elkaar te houden. Dat heeft als bijkomend voordeel dat deze zeugen ook beter op hun eigen behoefte kunnen worden gevoerd.

Tot slot raadt hij zeugenhouders aan vooral goed naar de gebruiksaanwijzing van de fokkerijorganisatie te kijken. “Als die voorschrijft dat de nieuwe gelt 170 kilo moet wegen bij de eerste inseminatie en een andere adviseur zegt 160 kilo, volg dan het advies van de fokkerijorganisatie. Baseer je op feiten.”

Gewicht volgen altijd interessant

Het volgen van de gewichtsontwikkeling van zeugen is nuttig bij alle pariteiten, maar de nadruk ligt bij jonge zeugen.

Uit onderzoek van Wageningen UR blijkt dat het conditieverloop tijdens de eerste drie pariteiten van de zeug bepalend is voor de rest van het leven. Een te lichte gelt bij dekken heeft een lagere levensproductie en minder reserves. Te zware gelten hebben meer problemen met werpen en een korte levensduur. Ook is de voeropname van die gelten in de lactatie te laag.

In de praktijk wordt nog maar op een beperkt aantal bedrijven structureel gewogen. Een reden om gelten en zeugen niet te wegen is het praktische aspect. De minst belastende methode van wegen is via voerstations. Daardoor is de gewichtsontwikkeling tijdens de dracht exact bekend, maar ook de gewichten als ze de kraamstal ingaan en eruit komen. Bij in serie geschakelde stations kan één weegunit in de centrale gang de kosten drukken.

Bedrijven zonder voerstations zijn aangewezen op een (mobiele) weegunit, bijvoorbeeld in de gang als de zeugen naar of uit de kraamstal komen. Het kost meer arbeid en levert minder gegevens op, maar is wel overal toepasbaar. Daarbij is ook automatische identificatie mogelijk, mits zeugen een transponder dragen.

Of registreer je om te kunnen reageren.