Varkenshouderij

Achtergrond

‘Immense structuurverandering varkenshouderij op komst’

De varkenshouderij staat in de visie van Rabobank een historisch aantal stoppers te wachten. Een totaal andere structuur ontstaat met kansen voor de blijvers.

In zijn Varkensstudie 2018 schetst Rabobank hoe de Nederlandse varkenshouderij er in 2030 uit zal zien en welke maatregelen nodig zijn om een sterke sector te behouden. Koen van Bergen, sectormanager varkenshouderij, ziet dat de richting afgelopen jaren al is ingezet, maar ook dat meer inspanningen nodig zijn.

U laat de gewenste ontwikkeling zien van een aantal thema’s, zoals ketensamenwerking, de relatie met de maatschappij en de varkenshouderij in de circulaire economie. Stond dat ook al niet in rapporten van 5 en 10 jaar geleden?

“Veel thema’s zijn inderdaad niet nieuw, maar er is wel veel veranderd. De markt is nu vraag- in plaats van aanbodgestuurd. In het winkelschap is meer diversiteit door ketenprogramma’s en het eerste merkvlees ligt in de schappen. Ook zijn burgers en de maatschappij kritischer ten aanzien van de varkenshouderij.”

Koen van Bergen, sectormanager varkenshouderij


Koen van Bergen van Rabobank verwacht dat het aantal varkenshouders de komende jaren drastisch afneemt. De varkenshouder van de toekomst produceert in een integrale keten, waarvoor nieuwe product-marktcombinaties ontstaan.

En de consumptie van varkensvlees staat onder druk.

“Toch verwachten we dat in Europa de consumptie nagenoeg gelijk blijft. In Noordwest-Europa neemt de consumptie af, maar in het Oosten groeit die nog door meer welvaart. Bovendien is er sprake van een groeiende bevolking. Mondiaal blijft de vraag naar varkensvlees stijgen, met name door toenemende koopkracht. In Nederland komt meer vraag naar vlees met beleving en kwaliteit. Steeds meer mensen eten niet dagelijks vlees, maar als ze het eten, mag het wel beter en duurder zijn. We noemen dat een hybride consument en die trend zet door.”

Sommige marktdeskundigen waarschuwen voor het ‘kantelen’ van de grote middengroep consumenten, degenen die niet altijd meer vlees eten, richting vegetariërs. Is dat een reële zorg?

“We verwachten niet dat de absolute krimp van de consumptie versnelt. Wel worden issues als vertrouwen, voedselveiligheid, smaak, gemak en dierwelzijn voor de consumenten in dit deel van Europa belangrijker. Dat biedt dus kansen voor de Nederlandse varkenshouderij.”

Nederland heeft op enkele kleine initiatieven als Livar en Hamletz na geen echt merkvlees. Wel zijn er concepten. Gaat dat veranderen?

“Dat denken we wel. Vleesverwerkers zullen meer op segmenten inspelen en doen dat door merken. Dat hoeft geen eigen merk te zijn, maar kan ook van de retailer zijn. Branding betekent meerwaarde maken.”

U schrijft dat vraag en aanbod beter op elkaar moeten aansluiten, zowel voor afzet binnen als buiten de EU. Wat betekent dat concreet?

“Dat slachterijen en varkenshouders afspraken maken over de hoeveelheid en kwaliteit van productie. Ook over het gebruik van specifieke genetica, voeders, gezondheid en andere voorwaarden. Op die manier ontstaan nieuwe product-marktcombinaties.”

Integraties dus?

“We noemen het liever ketensamenwerking. Integraties roept een associatie op zoals in landen als Spanje en de VS. Maar het gaat wel richting meer vaste afspraken met contracten. Slachterijen hebben daar de lead in, zoals nu eigenlijk ook gebeurt. Daarbij zien we een grote rol neergelegd voor big data. Dat geeft mogelijkheden om informatie van genetica tot aan het winkelschap te verkrijgen. Het maakt de keten efficiënter. De uitdaging is hoe alle gegevens optimaal te gebruiken.”

We financieren op de eerste plaats op basis van cashflow. Dat betekent topresultaten

U verwacht een sterke versnelling van de schaalvergroting. Het aantal ondernemers neemt af van 3.500 naar circa 1.000 in 2030, met 5% minder varkens. Dat betekent gemiddeld 1.800 zeugen per ondernemer; 3 keer zo veel als nu. Is dat wel realistisch?

“Niet als dat op een locatie is. Maar we verwachten dat een ondernemer straks meerdere locaties heeft. Dat versterkt het werken richting multi-site; zeugen op een locatie, gespeende biggen op een andere en daarna all-in-all-out-afmestlocaties. In die structuur komen eigendom en exploitatie meer los van elkaar. Dat biedt mogelijkheden voor stoppende varkenshouders; ze kunnen vroegtijdig gaan samenwerken met een andere ondernemer om het bedrijf over te dragen. We zien al meer dan vroeger dat jonge ondernemers van buiten de landbouw in een bedrijf groeien. Dat is met die nieuwe structuur beter mogelijk.”

Hoe is de financierbaarheid van bedrijven die gekocht gaan worden? Met in het achterhoofd dat de onderpandswaarde van bedrijven een stuk lager ligt?

“Goede plannen financieren we altijd, dat is niet anders dan nu. We financieren op de eerste plaats op basis van cashflow. Dat betekent technische en economische topresultaten. Als een varkenshouder een bedrijf koopt, zal de werkelijke waarde ook lager zijn, dus een lagere onderpandswaarde hoeft geen probleem te zijn. Er zijn mogelijkheden voor het borgstellingsfonds, zodat het financieringsrisico kleiner is.”

Zijn deze bedrijven nog wel over te nemen?

“Dat kan inderdaad lastig worden. Maar door het scheiden van eigendom en exploitatie ontstaan nieuwe mogelijkheden. Bijvoorbeeld de ontwikkeling van familiebedrijf naar onderneming van families.”

Het verschil met andere landen wordt kleiner en kostprijzen groeien naar elkaar toe

Wat betekenen minder bedrijven en varkens voor de periferie?

“Het volume van de varkensstapel verandert niet veel. Voor slachterijen en voerbedrijven valt het dus mee. Met minder varkenshouders zijn wel minder adviseurs nodig. Een grotere impact voor de voerindustrie heeft mogelijk de wens naar een circulaire landbouw. Er ligt een uitdaging om nog meer reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie te gebruiken. Dat kan op termijn ten koste gaan van de hoeveelheid mengvoer.”

In het circulaire model ligt de uitdaging bij de mestcomponent?

“Daar is nog veel te verbeteren. We moeten toe naar collectieve, grootschalige verwerking. Daarbij moet de afzet van de reststromen beter. Dat mestverwerking nog steeds veel kost, komt mede door de moeilijke afzet van mestproducten.”

Gaan de mestkosten nog eens omlaag?

“We weten hoe het in de mestmarkt werkt, waarbij ondernemers zich niet willen vastleggen omdat door een lagere mestdruk de prijs toch weer daalt. Daarom moet mestverwerking collectief worden opgepakt.”

Door wie dan?

“We weten dat dat lastig is, er mist collectiviteit in de sector. Partijen in de keten komen met initiatieven, maar er zijn er ook opgestart met partijen buiten de landbouw, zoals afvalverwerker Twence. Dat is blijkbaar nodig om meer verwerkingscapaciteit te krijgen.

Over kosten gesproken; blijft het kostennadeel ten opzichte van het buitenland de Nederlandse varkensbedrijven voor de voeten lopen?

“Het verschil met andere landen wordt kleiner en kostprijzen groeien naar elkaar toe.”

U benadrukt het belang van verkleinen van de kloof met burgers en maatschappij. Hoe doet de varkenssector het tot nu toe?

“Er is de afgelopen jaren veel gebeurd, kijk bijvoorbeeld naar het verminderen van uitstoot van ammoniak, stank en antibioticagebruik. Er is ook een groep varkenshouders die de sector heel positief naar buiten brengt. Maar de sector moet doorgaan met draagvlak creëren.”

Dat kost geld. En communicatie is net een onderwerp waarvoor de POV op weinig financiële ondersteuning van de achterban hoeft te rekenen.

“Toch roep ik varkenshouders op hiervoor echt de portemonnee te trekken. Als dat niet goed gaat, gaat dat in de toekomst een rem geven op de ontwikkelruimte. Zonder deze ruimte is een verdere krimp onvermijdelijk.”

Mede-auteur: Robert Bodde

Of registreer je om te kunnen reageren.