Rundveehouderij

Achtergrond

Meer droge stof in kalvergier bemoeilijkt verwerking

Het aandeel droge stof in kalvergier stijgt. Stichting Mestverwerking Gelderland voert technische aanpassingen door om kalvergier goed te verwerken.

Stichting Mestverwerking Gelderland (SMG) verwerkt kalvergier op locaties in Ede, Stroe, Putten en Elspeet. In Ede en Stroe mag SMG op jaarbasis 210.000 ton verwerken. In Putten en Elspeet gaat het om 180.000 ton op jaarbasis. “We mogen jaarlijks 780.000 ton verwerken. Op dit moment zitten we op 700.000 ton op jaarbasis”, zo vertelt zaakvoerder Herbert van Veen.

Veranderende samenstelling vraagt aanpassing

De sterk veranderde samenstelling van de gier vraagt aanpassingen aan de installaties. Bij het ontwerp en de realisatie van de mestverwerkingsinstallaties is ooit rekening gehouden met een drogestofpercentage van 2%. In het rantsoen van blankvleeskalveren neemt ruwvoer een steeds belangrijkere plek in. Het percentage droge stof in kalvergier is de voorbije jaren daardoor opgelopen richting 5%.

Dat toegenomen drogestofpercentage in kalvergier bemoeilijkt het verwerkingsproces, erkent Van Veen. “De samenstelling van de mest verandert drastisch. Dat is een uitdaging. Kalverhouders willen wel meer gier leveren, maar op dit moment kunnen we niet onze volledige capaciteit benutten.”


  • Archiefeeld van de kalvergiercentrale in Elspeet. Op de 4 mestverwerkingslocaties van SMG worden technische aanpassingen doorgevoerd. SMG acht dat nodig om de capaciteit te handhaven en de overeenkomsten met kalverhouders voor levering en afname na te komen. - Foto: Ton Kastermans

    Archiefeeld van de kalvergiercentrale in Elspeet. Op de 4 mestverwerkingslocaties van SMG worden technische aanpassingen doorgevoerd. SMG acht dat nodig om de capaciteit te handhaven en de overeenkomsten met kalverhouders voor levering en afname na te komen. - Foto: Ton Kastermans

  • Ruwvoerverstrekking aan blankvleeskalveren op een bedrijf in Genemuiden (Ov.). Ruwvoer neemt in rantsoenen een alsmaar belangrijkere plek in. Het percentage droge stof in kalvergier stijgt en het verwerkingsproces wordt bemoeilijkt. - Foto: Ruud Ploeg

    Ruwvoerverstrekking aan blankvleeskalveren op een bedrijf in Genemuiden (Ov.). Ruwvoer neemt in rantsoenen een alsmaar belangrijkere plek in. Het percentage droge stof in kalvergier stijgt en het verwerkingsproces wordt bemoeilijkt. - Foto: Ruud Ploeg

Technische aanpassingen

Op de vier mestverwerkingslocaties van SMG worden technische aanpassingen doorgevoerd, zegt Van Veen. SMG acht dit nodig om de huidige capaciteit te handhaven en daarmee de afgesloten overeenkomsten met kalverhouders voor levering en afname van kalvergier te kunnen blijven nakomen.

Van Veen wil niet kwijt welke technische aanpassingen exact nodig zijn om de hedendaagse kalvergier beter te kunnen verwerken. Ook over het kostenplaatje daarvan laat hij zich niet uit. “Er zijn continu aanpassingen nodig aan de diverse onderdelen van het proces, om de vergunde hoeveelheid kalvergier te kunnen blijven verwerken”, aldus Van Veen. “Het vergroten van de capaciteit van de centrifuges is een van de aanpassingen waar we mee bezig zijn.”

Het vergroten van de capaciteit van de centrifuges is een van de aanpassingen waar we mee bezig zijn

Herbert van Veen, zaakvoerder bij Stichting Mestverwerking Gelderland

Verwerkingskosten

Op basis van de verwachte kosten stelt SMG jaarlijks de mestverwerkingskosten vast. Van Veen daarover: “We zijn een stichting en streven naar een nulresultaat.” In 2020 betalen kalverhouders voor de mestverwerking bij SMG € 15 per ton kalvergier van gemiddeld 4,8% droge stof. Dat is exclusief btw en transport en inclusief bemonstering en analyse. Ter vergelijking: in 2019 betaalden kalverhouders € 16,40 per ton kalvergier van gemiddeld 4,5% droge stof.

Van Veen maakt zich voorlopig geen zorgen over de verwachte krimp van 10% van de kalversector en de mogelijke gevolgen die dat heeft voor SMG. “Dat moet de toekomst uitwijzen.”

‘Grens bereikt’

Wim Thus, voorzitter van de LTO-vakgroep Vleeskalverhouderij, is bekend met de uitdagingen waar kalvergierverwerkers voor staan. Hij herkent zich in het verhaal van Van Veen over de moeilijkere kalvergierverwerking. “Het gestegen aandeel ruwvoer in kalverrantsoenen is een gevolg van de welzijnsdiscussie. Niet alleen bij de rosé’s, maar juist ook bij blankvleeskalveren. Dat heeft ook geleid tot dikkere mest. Gier is nu eenmaal makkelijker te verwerken dan vaste mest”, zo zegt Thus, die aangeeft dat enkel de samenstelling is veranderd. “De hoeveelheid mest per kalf is niet gestegen.”

Meer ruwvoer in de kalverrantsoenen heeft geleid tot dikkere mest

Wim Thus, voorzitter LTO-vakgroep Vleeskalverhouderij

De vakgroepvoorzitter verwacht niet dat het percentage droge stof in kalvergier de komende jaren nog veel verder stijgt. “Ik denk dat de grens zo langzamerhand wel is bereikt, ook gezien de verwachte ontwikkeling naar een meer verfijnde mestboekhouding naast het systeem van de forfaitaire excretienormen”, aldus Thus, die aangeeft dat een veranderde ruwvoersamenstelling misschien tot dunnere mest kan leiden.

Volgens Thus zijn kalvergiercentrales intussen op de goede weg om de van samenstelling veranderde gier adequaat te verwerken. “Organisaties als SMG moeten hier nu eenmaal mee dealen. Daar slagen ze in door bijvoorbeeld voorscheiding te realiseren.”

Toekomst mestverwerking

“De mestmarkt blijft een onzekere markt. Dat is al 40 jaar zo”, antwoordt Thus, wanneer hem wordt gevraagd naar de toekomst van de Nederlandse mestverwerking. “Ik verwacht dat er ruimte blijft, of zelfs noodzakelijk is, voor uitbreiding van mestverwerking. De toekomst moet uitwijzen in hoeverre verwerking competitief blijft qua kosten”, zo zegt de vakgroepvoorzitter.

Hij ziet kansen voor technieken als het kraken van mest, om waardevolle meststoffen optimaal te kunnen afvangen en hergebruiken. “Onderzoeken daarnaar zijn hard nodig. Dat is innovatief en echt next level.”

Of registreer je om te kunnen reageren.