Rundveehouderij

Achtergrond

Veehouder ontbeert beeld bij jonge stier

De Introductie van genomics maakte dat stieren elkaar in steeds rapper tempo opvolgen. Veehouders hebben minder beleving bij nieuwe namen. Ook de kennis over de stieren en de afstamming van hun koeien neemt af.

Genomics heeft het generatie-interval in de fokkerij flink verkort. Als nu een jonge stier van pakweg een tot anderhalf jaar oud op de lijst van in te zetten stieren komt, heeft vaak zijn vader ook alleen nog maar een genomische fokwaarde. Veehouders hebben daardoor niet echt meer een goed idee wat voor soort koe daar uit komt, als ze zo’n stier inzetten. Dat is de algemene indruk die leeft bij adviseurs die in het veld met veehouders over fokkerij praten.

Genomics heeft het generatie-interval verkort. Dat maakt dat de veehouder steeds minder een beeld heeft bij de jongste stieren. - Foto: Ronald Hissink
Genomics heeft het generatie-interval verkort. Dat maakt dat de veehouder steeds minder een beeld heeft bij de jongste stieren. - Foto: Ronald Hissink

In de jongste indexdraai is van de top 30 NVI van stieren met alleen genomische fokwaarden het gros van de vaders een stier met eveneens een genomische fokwaarde. De moedersvaders zijn echter nagenoeg allen stieren die al wel dochters aan de melk hebben. Niet altijd veel, maar ze hebben in elk geval een fokwaarde op basis van dochters. Veel voorkomende namen van moedersvaders zijn G-Force, Balisto, Reflector, Penley en Bolt.

Weinig herkenning

Volgens Huub Peek, onafhankelijk fokkerijadviseur en bestuurslid van de Nederlandse Veeverbetering Organisatie (NVO), wordt het beeld van herkenning op melkveebedrijven alleen maar geringer. “Bij inzet van elke stier die je niet eerder hebt gebruikt, of dat nu een jonge stier is of een stier met een fokwaarde op basis van dochters, moet een veehouder gevoel krijgen. Dat gebeurt vaak pas als het kalf in het hok ligt.”

Dat was vroeger bij de proefstieren niet anders. Alleen bleven de stieren, als ze eenmaal fokstier werden, lang op de kaart en wist iedereen hoe bijvoorbeeld een Canvas-, Olympic- of Fidelity-dochter er uitzag en wat deze kon brengen in de veestapel.

Hoge omloopsnelheid stieren

De omloopsnelheid van stieren is echter de laatste jaren zo groot dat de vader van het kalf dat nu geboren wordt, vaak alweer van de stierenkaart verdwenen is of er zelfs niet eens op komt. “Dan blijf je die naam niet zien en valt ook de herkenbaarheid tegen”, ervaart Peek.

Betrouwbaarheid fokstier neemt door genomics sneller toe

Sander de Roos, Manager Product Development Genetics bij CRV, beaamt dat. Ook hij merkt dat gebruikers wat verder van de stieren af staan qua gevoel. “De proefstieren die vroeger ingezet werden, hadden vaak een vader met ongeveer 100 dochters aan de melk, maar het konden ook buitenlandse stiervaders zijn. Daar wist je nog heel weinig van. Maar als ze jaren later fokstier werden, had de vader vaak al duizenden dochters aan de melk en dat gaf dan ook een bepaalde verwachting van de zoon.”

Het korte generatie interval heeft dat opgeschoven, waarbij nu geldt dat de veehouders van de grootvaders (moedersvader en/of vadersvader) dieren aan de melk hebben. “Toch geeft dat ook wel een beeld over wat de nieuwe jonge stier kan brengen.”

Zet fokdoel centraal en wijk niet af

Voor alle fokkerijspecialisten staat vast dat het voor de veehouders goed is om een duidelijk plan te trekken voor hun bedrijf. Stel vast waar je staat en wat voor soort veestapel je in de toekomst zou wensen met welke eigenschappen. Ieder moet voor zich uitmaken waar de focus moet liggen en in welke verhouding hij fokstieren en/of jonge stieren inzet. Adviezen en overwegingen op een rij.

  • Stel de koers vast voor je veestapel;
  • Maak op basis van die koers een helder fokdoel;
  • Stel het fokdoel vast op basis van een klein aantal eigenschappen, bijvoorbeeld melkproductie, gehalten en levensduur;
  • Stel een ondergrens vast voor de belangrijkste eigenschappen;
  • Hou vast aan het fokdoel;
  • Koop geen sperma van stieren die qua profiel niet in het fokdoel passen;
  • Afwijken van het fokdoel betekent dat in de brede zin het fokdoel minder snel wordt bereikt;
  • Denk na over gebruik van jonge stieren (al dan niet met genomische fokwaarde);
  • Houd rekening met een mindere betrouwbaarheid van de fokwaarden van jonge stieren ten opzichte van bewezen fokstieren;
  • De jongste stieren hebben als voordeel dat de genetische vooruitgang groter is dan bij oudere stieren;
  • Nadeel van de jongere stieren is dat de fokwaarde nog wijzigt;
  • Gebruik bij inzet van jongere stieren altijd een ‘pool’ van meerdere stieren om latere eventuele afwijkingen op de genetische fokwaarden te spreiden;
  • Gebruik bij correctieparingen (met name in bouw) liefst bewezen fokstieren uit de geselecteerde stieren die voldoen aan het brede fokdoel;
  • Maak gebruik van een paringsprogramma dat rekening houdt met voorkomen van inteelt.

Informatie bieden

Erik Laarhuis, foktechnisch medewerker bij KI Kampen, zegt ook dat de afstand tussen de veehouder en de jonge stieren steeds groter wordt. Vooral de kennis van pedigree (afstamming) wordt minder. “Wij proberen via het KI Nieuws zoveel mogelijk informatie van de jonge stieren op een rij te zetten, zodat veehouders kunnen lezen welke koefamilies en prestaties daar achter zitten. Dat is ook precies wat Gerard Scheepens, directeur bij KI Samen, aangeeft. “Bij ons is het belang van de koefamilie nog altijd groot en geven daar ook alle informatie van bij elke jonge stier. Als wij zelf aanparingen maken om een stier te fokken, doen we dat ook altijd met een fokstier als vader. We hebben ook wel jonge stieren met een genomics-vader. Dat kan gebeuren als wij een stier aankopen uit een bepaalde koefamilie waarin we veel vertrouwen hebben, maar waar we zelf de aanparing niet hebben gemaakt.”

Jonge stieren hebben het hoogste genetisch potentieel, maar voor individuele correctieparingen kan beter een bewezen fokstier met hoge betrouwbaarheid worden ingezet. - Foto: Ronald hissink
Jonge stieren hebben het hoogste genetisch potentieel, maar voor individuele correctieparingen kan beter een bewezen fokstier met hoge betrouwbaarheid worden ingezet. - Foto: Ronald hissink

Minder beleving

Een ander aspect van genomics is dat het advies is om meerdere stieren in een pakket te gebruiken. Dat vermindert het aantal kalveren per stier dat op een bedrijf geboren wordt. Ook dat leidt tot minder beleving bij de veehouder van wat een stier kan brengen.

De vraag is of dat erg is. Peek stelt vast dat hij in zijn paringsadviezen relatief weinig gebruikmaakt van genomische stieren. “Weet dat genomics een krachtige techniek en hulpmiddel is om grote stappen in de fokkerij te zetten. Wat dat betreft waardeer ik de kansen die genomics brengt, mits deze slim en effectief benut wordt. Echter, op het primaire bedrijf wil je compensatieparingen uitvoeren binnen een bedrijfseigen fokdoel en dan is de betrouwbaarheid, die weliswaar hoger ligt dan van proefstieren, te laag om daarmee bewezen fokstieren te verdringen. Daarom gebruiken we toch vooral fokstieren met een goede betrouwbaarheid. Dan is de zekerheid dat je de eigenschappen krijgt waar je op selecteert veel hoger en weet je wat de stier doet.”

Dochtergroepen en stiermoedergroep geven beeld van stier

Volgens De Roos neemt de betrouwbaarheid van fokstieren door grootschalig gebruik van genomics-stieren tegenwoordig wel veel sneller toe dan vroeger. Vroeger werd een stier als proefstier ingezet en kreeg hij een fokwaarde op basis van 100 dochters. Dat bleef dan jaren zo.

Tegenwoordig wordt een genomics-stier veel breder gebruikt. Als een stier een eerste fokwaarde op basis van dochters krijgt, zie je bij de opvolgende indexdraaien het aantal dochters heel snel toenemen en daarmee ook de betrouwbaarheid van de fokwaarde van de stier. “Zo kwam Maiko direct door met 390 dochters en heeft een stier als Rocky nu al ruim 4.591 dochters aan de melk. Voor kenmerken als vruchtbaarheid en levensduur is dat heel waardevol”, stelt De Roos.

In het ‘breeding center’ van CRV in Wirdum worden zeer jonge vrouwelijke dieren met hoge genetische aanleg gehouden; ze moeten zorgen voor de stieren van de toekomst. - Foto: Anne van der Woude
In het ‘breeding center’ van CRV in Wirdum worden zeer jonge vrouwelijke dieren met hoge genetische aanleg gehouden; ze moeten zorgen voor de stieren van de toekomst. - Foto: Anne van der Woude

Waar jonge stier plaatsen?

Veehouders moeten in elk geval wennen aan de wijze waarop ze jonge stieren met een genomische fokwaarde nu moeten zien in vergelijking met het tijdperk voor genomics. Zijn het voor hen nu proefstieren met toegevoegde waarde in de fokwaardenschatting en daardoor met een grotere betrouwbaarheid dan proefstieren? Of ga je ze vergelijken met bewezen fokstieren, maar dan met de wetenschap dat ze een lagere betrouwbaarheid hebben? Want voor het gevoel van veehouders zitten de genomische stieren daar precies tussenin.

Angst voor inteelt neemt toe

Voor Scheepens zijn jonge genomic geteste stieren proefstieren met een ‘plus’, vanwege het feit dat er extra genetische informatie is. “Niet meer en niet minder.” Feit is dat veehouders de nieuwe jonge stieren veelal niet kennen, maar nog belangrijker ook hun vaders niet.

De Roos ziet dat als veehouders een jonge stier eenmaal omarmen, ze er niet snel afscheid van nemen. “Kijk maar eens naar stieren als Ranger en Magister, die al best lang populair zijn.” Hij geeft aan dat er toch niet alleen maar via cijfers en data wordt gefokt. “Zo laten we bijvoorbeeld op de aankomende NRM weer meerdere dochtergroepen zien en een groep stiermoeders. En we zien heel veel animo voor excursies op ons Dairy Breeding Center in Wirdum, de bedrijven waar we voeropname meten, maar zeker ook op de Delta-testbedrijven. Daar lopen zusjes, halfzusjes, moeders en grootmoeder in een normale melkgevende koppel koeien. Dat geeft zeker ook een beeld van de jonge stieren.”

De Roos geeft aan dat vorig jaar meer dan 100 excursies naar de verschillende bedrijven zijn geweest. Als er dan gemiddeld 25 deelnemers zijn, hebben dus duizenden veehouders kunnen zien wat de jonge generatie stieren kan brengen. Zo houden we het gevoel met de jonge stieren erbij.”

Als het bordje te vol is, valt er aan de rand wat af. Fokkerij hoort daarbij

Angst voor inteelt

De relatieve onbekendheid van jonge stieren schept volgens Peek nog een ander probleem, dat volgens hem in toenemende mate voorkomt: namelijk dat de angst voor inteelt toeneemt door de weggevallen kennis over de stieren en de vaders van hun koeien. Peek: “Omdat de boeren de stieren achter hun koeien niet meer of minder goed kennen, zijn ze bang dat gebruik van een nieuwe stier er voor kan zorgen dat ze bepaalde stieren in de afstamming gaan stapelen.” Dat hoort Peek niet alleen op de bedrijven die hij begeleidt, maar deze signalen bereiken hem ook via NVO.

“De afstamming van een individuele koe of stier staat tegenwoordig minder op het netvlies bij de veehouder. Daar ligt vaak niet hun prioriteit”, stelt De Roos vast. Daar zijn Laarhuis en Scheepens het mee eens. Zij ervaren ook dat veehouders nogal wat op hun bordje krijgen. Laarhuis: “En als het bordje te vol is, valt er aan de rand wat af. Fokkerij hoort daar bij. Bij grotere bedrijven is het ook haast ondoenlijk om van alle koeien nog de vader of zelfs moedersvader nog te kennen. Dat draagt ook niet bij aan de herkenbaarheid van stieren.”

Bij onvoldoende kennis over de stieren en de afstamming van de eigen koeien is voor de veehouder het enige wapen om inteelt te voorkomen om zich goed laten begeleiden door hun adviseurs en om een goed paringsprogramma gebruiken dat inteelt boven een bepaald niveau uitsluit.

Of registreer je om te kunnen reageren.