Rundveehouderij

Achtergrond

Geen broeiverlies, meer melk en gezondere dieren

Voercentrum Gelderse Vallei jubileert met tevreden deelnemers. Zij zien meer rendement bij een toch fors hogere kostprijs voor voeren.

Voercentrum Gelderse Vallei in Woudenberg (U.) bestaat vijf jaar. Het centrum, opgezet door Marco van der Wind, Maarten Wolswinkel en Walter Roubos, heeft de wind in de zeilen. Het concept blijkt te werken: gras en mais van individuele veehouders worden na de oogst op een centrale plek ingekuild, bijproducten worden centraal opgeslagen en boeren krijgen het maanden later gemengd als rantsoen terug.

“Onze deelnemers zijn tevreden”, zegt medeoprichter en deelnemer Marco van der Wind. “Ze ontvangen vier dagen per week een sterk, constant product, maar ze worden bovenal ontzorgd. Ze hoeven niet meer te investeren in eigen ruwvoeropslag, voermengwagens en arbeid.”

Voercentrum Gelderse Vallei viert het vijfjarig jubileum. Het concept, gras en mais van individuele veehouders wordt na de oogst op een centrale plek ingekuild en opgeslagen en boeren krijgen het maanden later als gemengd rantsoen terug, slaat aan. - Foto’s: Ton Kastermans
Voercentrum Gelderse Vallei viert het vijfjarig jubileum. Het concept, gras en mais van individuele veehouders wordt na de oogst op een centrale plek ingekuild en opgeslagen en boeren krijgen het maanden later als gemengd rantsoen terug, slaat aan. - Foto’s: Ton Kastermans

Regionale voercentra zijn in Nederland geen doorslaand succes. In 2013 ging voercentrum Friesland zelfs failliet. De drie compagnons besloten hun voercentrum daarom kleinschaliger te houden. In het najaar van 2014 gingen ze van start met zes deelnemende melkveehouders (450 koeien en 180 hectare). Vijf jaar later zijn dat er elf. Van hen zijn negen melkveehouder en samen brengen ze 660 koeien en 290 hectare in. De andere twee hebben grondloze geitenbedrijven met in totaal 2.000 melkgeiten. Van der Wind: “Zij brengen mais en bijproducten in, die ze in overleg door ons laten inkopen. Door die verbreding kunnen wij onze melkveehouders een gevarieerder rantsoen bieden, terwijl geitenhouders er gras voor terugkrijgen.”

Mee met de trends

De werkwijze van Voercentrum Gelderse Vallei is de afgelopen jaren niet veranderd. In de periode voor de oogst wordt wekelijks bemonsterd. Dat gebeurt opnieuw tijdens het inkuilen op het voercentrum, vervolgens gaat het product de weegbrug op. “Per bedrijf registreren we gewicht, silagekwaliteit en hoeveelheid kilo’s droge stof. Tijdens het uitkuilen betaalt de boer voor de hoeveelheid product die hij afneemt minus een twaalfmaandelijks tegoed voor het geleverde voer. Kwaliteitswaardering gebeurt via een formule”, legt Van der Wind uit.

Hij kan precies oplepelen wat de resultaten van dit jaar waren. De eerste snede van 1 en 15 mei gaf een drogestofopbrengst van 4.700 kilo en de tweede snede noteerde 3.700 kilo droge stof. De derde en vierde gaven samen 3.100 kilo droge stof. In totaal was dit 20% meer dan vorig jaar. Ook mais doet het dit jaar aanzienlijk beter. Van der Wind verwacht 16 tot 18 ton droge stof, terwijl dat in 2018 12 ton was.

Door klein te blijven, houden we iedereen betrokken. Het hoeft geen duiventil te worden

Het voercentrum probeert ook mee te gaan in nieuwe marktontwikkelingen. Zo anticipeerde het centrum op de ‘80-20-regel’ van gras en mais door in te zetten op ontsloten graan. Van der Wind: “Dat is geplette tarwe, die we met enzymen en ureum mengen. Dat verhoogt de ph, eiwit stijgt naar 16% en de verteerbaarheid is rustiger en beter. Zo kunnen we mais deels vervangen.” Een ander voorbeeld is de introductie van Vlog. Om die reden is het voercentrum twee jaar geleden al gestopt met soja in het rantsoen.

Meer besparing dan meerkosten

Wekelijks kuilt Voercentrum Gelderse Vallei 170 ton uit voor de negen melkveebedrijven. De geitenbedrijven halen 30 ton per week. Transport en het mengen van het voer worden door het voercentrum gedaan. Wat dat betekent voor het verdienmodel? “We zijn duurder dan loonvoeren. Bij de loonwerker kost voeren 1,5 cent per kilo melk, bij ons is dat 2,5 tot 3 cent”, vertelt Van der Wind. “Maar je bespaart meer. Denk aan aanrijden, bemonsteren, plastic, inkuilmiddelen, aanleg van sleufsilo’s en arbeid.”

Bedrijfsresultaten zijn bovendien goed. “Onze deelnemers krijgen een constant product met nauwelijks broeiverliezen. Ze halen gemiddeld 9,5% meer melk met dezelfde krachtvoerinput en dierenartsen zien een betere diergezondheid.”

Voercijfers worden onderling ook gedeeld en deelnemende boeren waarderen die transparantie. Kleinschaligheid is echter de grootste kracht, stelt Van der Wind. “We zijn een hechte club en hebben geen ambitie om uit te breiden. Alleen als iemand uitstapt, mag er iemand bij. Door klein te blijven, houden we iedereen betrokken. Liever kleinschaligheid en continuïteit dan een duiventil. Iedereen kent elkaar, we wonen op korte afstand van elkaar.”

‘Inkuilen en voeren is duurder, maar ik houd toch meer over’

Martin van Klooster doet voor het derde seizoen mee als deelnemer aan Voercentrum Gelderse Vallei. Voorheen werkte hij met een loonwerker, die in 2014 mede het voercentrum oprichtte. De optelsom was snel gemaakt. Van Klooster verhuisde mee en liet zijn gras, 19.000 kilo droge stof per jaar voor 15 hectare, voortaan centraal inkuilen.

Martin van Klooster (56) in Stoutenburg (U.) heeft een melkveebedrijf en kaasboerderij de Kopermolen.
Martin van Klooster (56) in Stoutenburg (U.) heeft een melkveebedrijf en kaasboerderij de Kopermolen.

Bedrijfsgegevens

54 melkkoeien

45 stuks jongvee

29 hectare grasland

  • 8.600 kilo: jaarmelkproductie 2016
  • 10.500 kilo: jaarmelkproductie 2019
  • geen 20% broeiverlies meer

 

Sindsdien wordt vier keer per week voer naar zijn veebedrijf gebracht en voor de koeien gedraaid. Mijn boekhouder zei: “Is dit niet veel te duur?” Spijt van mijn keuze heb ik echter nooit gehad. Ik bespaarde bijvoorbeeld al kosten doordat ik niet meer hoefde te investeren in vier nieuwe kuilplaten op mijn bedrijf. Dat scheelde al € 60.000 (omgerekend € 5.000 per jaar). Ook had ik geen kuilplastic en grond op de kuil (beide € 600 per jaar) nodig.

Niettemin steeg de inkuilkostprijs met 40% door de keuze voor het voercentrum. Die bedraagt inclusief inkuilkosten € 10.560 per jaar, maar Van Klooster krijgt er veel meer voor terug.

We krijgen veel begeleiding van het voercentrum en weten nu precies wat er in en uit de koe gaat

In de oude situatie had hij vaak tot wel 20% voerverlies door broei. Dat is nu voorbij. Zelfs tijdens de droge zomers van 2018 en 2019. Daarnaast bespaart de veehouder 1 uur arbeid per dag en heeft hij geen stress meer rond het inkuilen of dat koeien genoeg voer hebben.

Dat is niet de enige winst die hij boekt met het rantsoen van het voercentrum. In drie jaar tijd is de gemiddelde jaarmelkproductie gestegen van 8.600 naar 10.500 kilo. Ook de vruchtbaarheid is beter; de tussenkalftijd daalde van 428 naar 385 dagen. Er zijn veel minder problemen met afkalven. Terwijl er,op nieuwe waterbedden na, niks in de stal veranderd is.”

Andere voordelen zijn er ook. Van Klooster merkt dat zijn koeien een betere pensontwikkeling en conditie hebben. Ze hebben een goede bespiering en de dieren hebben meer glans. De veehouder schrijft de goede resultaten toe aan een gevarieerder, maar vooral constant rantsoen. Hij merkt bovendien een verandering bij zichzelf. Hij is meer ‘cijferboer’ geworden. “We krijgen veel begeleiding van het voercentrum en weten nu precies wat er in en uit de koe gaat. Daardoor ga je zelf ook preciezer kijken. Zeker als je goede resultaten boekt. Dat maakt me trots.”

Of registreer je om te kunnen reageren.