Rundveehouderij

Achtergrond

Kijk bij mais niet alleen naar opbrengst en zetmeel

De raskeuze voor mais kan bijdragen aan het verminderen van het schadelijk effect van droogte. Toch is raskeuze maar 1 onderdeel. Ook zaaitijdstip, zaaidichtheid en bodem hebben invloed.

De droogte van 2018 heeft veel maistelers flink wat opbrengst en kwaliteit gekost. Het KNMI meldde eind september nog altijd een neerslagtekort van 300 millimeter. Als er qua neerslag een normale winter en lente volgen, is de kans reëel dat we volgend teeltseizoen starten met een relatief kleine buffer vocht in de bodem. Ook de grondwaterstand, die nu circa 1 meter lager is dan normaal, zal dan nog niet op het normale niveau zijn. Dat betekent dat de capillaire opstijging van vocht ook minder zal zijn in het komende seizoen.

Met deze wetenschap in het achterhoofd is het niet onlogisch dat telers, zeker op de toch al droogtegevoelige gronden, zich willen wapenen tegen een opnieuw droog jaar.

Foto: Hans Prinsen
Foto: Hans Prinsen

Vroeg bloeiende mais heeft minder last van droogte

“Een van de zaken die in 2018 duidelijk naar voren kwam, is dat de mais die vroeg bloeide minder last heeft gehad van de droogte”, stelt Arjan Lassche, Agro Service Manager bij KWS Benelux. “Dat komt doordat de bevruchting van de kolf plaatshad in een periode waarin de droogte en hitte nog niet op het hoogtepunt waren. We zien dat deze vroegbloeiende mais zich relatief goed heeft gehouden.”

Eugène Houben, salesmanager bij Pioneer, stelt daarbij vast dat het dan wel gaat om het tijdstip waarop die droogte toeslaat. “Als dat in augustus is, maakt de vroegheid van bloei niet uit.” Volgens Lassche is dat correct. Het voordeel van vroegheid van bloei kwam vooral in 2018 naar voren vanwege het feit dat de droogte zo extreem vroeg in het seizoen al toesloeg. Jos Groot Koerkamp, manager ruwvoergewassen bij Limagrain, is het daarmee eens. “Ik denk dat dit jaar de droogte uitzonderlijk vroeg plaatsvond. Als het al droog wordt, is dat vaak later in de zomer.”

Vroegheid en bodembedekking van invloed op weerbaarheid

Het is zaak om vroeg bloeiende mais niet te verwarren met de vroegheidsgroep, geven de deskundigen aan. De vroegheidsgroep zegt iets over het drogestofgehalte van de hele plant inclusief kolf op een bepaald moment. Een ras in de zeer vroege groep hoeft dus niet altijd een vroeg bloeiend ras te zijn. De vroegheid van bloei is een eigenschap die als aparte landbouwkundige eigenschap in de Rassenlijst staat vermeld. Volgens Houben speelt de pollenproductie ook een rol. “Er zijn rassen die 2 miljoen pollen afgeven, maar ook rassen die 20 miljoen pollen afgeven. Je kunt je voorstellen dat die laatste een hoger bevruchtingspercentage heeft.”

85.000 zaden per hectare vraagt 15% minder vocht

Daarnaast is snelheid van bedekken van de grond ook een eigenschap die meeweegt. Een ras met een goede beginontwikkeling is weerbaarder en heeft vaak ook al een uitgebreider wortelstelsel dan de rassen met een iets tragere beginontwikkeling. De verschillen zijn gering, maar als vochttekort cruciaal wordt, is elk onderdeel dat bijdraagt om de vochtvoorziening zo lang mogelijk te garanderen, belangrijk. “Toch zegt de snelheid van grondbedekking niet alles”, zegt Groot Koerkamp. “Sommige rassen hebben een steile bladstand en dan sluiten de rijen zich minder snel. Dat zegt niets over de vroegheid bloei. Wel geeft dat langer de mogelijkheid om nog een onderzaai uit te voeren.”

5 aandachtspunten om droogteschade te beperken


  • Als de bodemomstandigheden goed zijn, is het prima om vroeg te zaaien. Zaaien tussen 15 en 20 april wordt als zeer vroeg beschouwd. Kijk wel naar de weersvooruitzichten. Als na zaai een week koud weer voorspeld wordt, is het raadzaam nog even te wachten. Als de mais rond de maandwisseling de grond in gaat, is er nog altijd sprake van vroege zaai. - Foto: Frank Uijlenbroek

    Als de bodemomstandigheden goed zijn, is het prima om vroeg te zaaien. Zaaien tussen 15 en 20 april wordt als zeer vroeg beschouwd. Kijk wel naar de weersvooruitzichten. Als na zaai een week koud weer voorspeld wordt, is het raadzaam nog even te wachten. Als de mais rond de maandwisseling de grond in gaat, is er nog altijd sprake van vroege zaai. - Foto: Frank Uijlenbroek

  • Een van de landbouwkundige eigenschappen is ‘snelheid grondbedekking’. Een ras met een hoog cijfer is sneller gesloten. Door snel sluiten is er minder opwarming van onbedekte grond en dat scheelt in de verdamping. De snelheid van grondbedekking heeft onder meer te maken met de bladstand van het maisras. - Foto: Henk Riswick

    Een van de landbouwkundige eigenschappen is ‘snelheid grondbedekking’. Een ras met een hoog cijfer is sneller gesloten. Door snel sluiten is er minder opwarming van onbedekte grond en dat scheelt in de verdamping. De snelheid van grondbedekking heeft onder meer te maken met de bladstand van het maisras. - Foto: Henk Riswick

  • Mais heeft rond de bloei vocht nodig om het stuifmeel op de kolfharen te transporteren naar het zaad. Zonder vocht geen bevruchting. Meestal is augustus de maand waarin droogte toeslaat. Met een vroeg bloeiend ras kan de schade door droogte als gevolg van niet bevruchten mogelijk net worden voorkomen. - Foto: Mark Pasveer

    Mais heeft rond de bloei vocht nodig om het stuifmeel op de kolfharen te transporteren naar het zaad. Zonder vocht geen bevruchting. Meestal is augustus de maand waarin droogte toeslaat. Met een vroeg bloeiend ras kan de schade door droogte als gevolg van niet bevruchten mogelijk net worden voorkomen. - Foto: Mark Pasveer

  • Bedrijven met fosfaatruimte kunnen compost aanvoeren. Het verbetert de bodem en dat draagt bij aan de vochtvoorziening. Een bodem met meer organische stof heeft een betere capillaire werking en een beter vochtbergend vermogen. Bij wateroverlast is een bodem met een hoog organischestofgehalte ook beter doorlatend. - Foto: Henk Riswick

    Bedrijven met fosfaatruimte kunnen compost aanvoeren. Het verbetert de bodem en dat draagt bij aan de vochtvoorziening. Een bodem met meer organische stof heeft een betere capillaire werking en een beter vochtbergend vermogen. Bij wateroverlast is een bodem met een hoog organischestofgehalte ook beter doorlatend. - Foto: Henk Riswick

  • Start bij (dreigende) droogte op tijd met beregenen. Begin met de maispercelen en ga pas later naar het gras. Geef bij tekort in elk geval vocht als de celstrekking plaatsheeft. Zo ontwikkelt de mais zich goed. Ook kort voor en tijdens bloei is vocht nodig net als rond de kolfvulling. Dat geeft de beste kans op een goede kolfontwikkeling met voldoende zetmeel. - Foto: Henk Riswick

    Start bij (dreigende) droogte op tijd met beregenen. Begin met de maispercelen en ga pas later naar het gras. Geef bij tekort in elk geval vocht als de celstrekking plaatsheeft. Zo ontwikkelt de mais zich goed. Ook kort voor en tijdens bloei is vocht nodig net als rond de kolfvulling. Dat geeft de beste kans op een goede kolfontwikkeling met voldoende zetmeel. - Foto: Henk Riswick

Mark de Beer, ruwvoerteelt adviseur bij Groeikracht, denkt dat je niet teveel gewicht moet geven aan rasverschillen. “Als het gaat om vochttekort legt elke maisplant het af. Natuurlijk zijn er verschillen, maar die zijn klein en uiteindelijk verdrogen ze allemaal.”

Lassche verschilt daarin van mening. “We hebben juist in dit jaar bij de selectie op droogtegevoeligheid heel grote verschillen tussen rassen kunnen vaststellen. Een ras dat een net betere, door genetica bepaalde, droogtetolerantie heeft, kan het verschil maken tussen slecht of goed.

Houben denkt dat selectie daar ook wel vooruitgang kan brengen. “Er is een groot internationaal programma opgezet bij Pioneer dat al een jaar of 6 of 7 draait. Insteek is dat er nu nog droge gebieden zijn, steppen, waar geen mais wordt geteeld. Om het teeltgebied uit te breiden zijn we op zoek naar rassen die het onder die omstandigheden, met zeer beperkt vocht, toch goed volhouden. Als droogte in Nederland vaker een issue wordt, kunnen we op die kennis en rassen bogen.”

Vroeg en minder zaaien voor beter resultaat bij droogte

Uit de ervaringen van 2018 lijkt ook het zaaitijdstip een rol te spelen. De vroeg gezaaide mais heeft het afgelopen jaar de droogte beter doorstaan dan de later gezaaide percelen. Daarnaast speelt de discussie over de zaaidichtheid. “Het wordt tijd dat we afstand nemen van de regel dat mais altijd op 100.000 planten moet worden gezaaid”, geeft Lassche aan. Houben valt hem daarin bij. “In gebieden met een landklimaat als dieper in Duitsland, Hongarije en Roemenië wordt standaard met 70.000 of 80.000 zaden per hectare gewerkt. Groot Koerkamp denkt dat 85.000 of 90.000 zaden per hectare in Nederland prima kan. “Als er dan uiteindelijk 80.000 planten op een hectare overblijven, betekent dat ten opzichte van 100.000 planten 20% minder vochtonttrekking. Bij krappe vochtvoorziening kan dat doorslaggevend zijn. “Telers op droogtegevoelige gronden kunnen beter 80.000 goed ontwikkelde planten mét kolf oogsten dan 100.000 verdroogde planten”, stelt Lassche.

Mais reageert direct met extra zetmeelopbrengst in het eerste jaar na gebruik compost. In de bodemanalyse duurt het langer eer er effect zichtbaar is.

Volgens Groot Koerkamp speelt de wortelontwikkeling ook een rol. Een uitgebreider wortelstelsel heeft meer mogelijkheden om vocht uit de bodem te onttrekken. “Onze starcover-coating draagt bij aan een beter ontwikkeld wortelstelsel. Wij hebben dit jaar op een aantal proefvelden gewoon kunnen zien dat planten met coating er frisser en groener bij staan dan planten waarvan het zaad niet voorzien was van coating.”

Op tijd beregenen om uitdroging te voorkomen

Wie de droogte voor wil zijn, zal afhankelijk van de weersvooruitzichten, op tijd moeten starten met beregenen. Dit hangt mede af van de buffer vocht die in de winter/het voorjaar gevormd wordt en de grondwaterstand op dat moment. Zeker is wel dat mais vocht nodig heeft voor groei en bloei, maar ook voor koeling. Het is daarom niet altijd de beste keuze om voor een erg massaal gewas te kiezen, omdat deze ook het grootste bladoppervlak heeft. Dat betekent dat er relatief meer verdampend oppervlak is, en dat er meer water nodig is voor koeling van de plant.

Lassche: “Ik zie in de praktijk dat veehouders graag de voorkeur geven aan beregenen van grasland. Bedenk daarbij wel dat mais maar 1 oogst is. Als je daar te laat bent met beregenen, is je hele teelt mislukt. Voor grasland geldt dat dit geoogst wordt in meerdere sneden. Je kunt daar beter 1 van missen dan de hele maisoogst laten mislukken.”

Tip

Maak waar mogelijk gebruik van onderzaai. Dat geeft ruimte voor het juiste oogstmoment.

Verbetering organischestofgehalte in bodem verbetert opbrengst

De Beer denkt dat investeringen in de bodem veel meer effect hebben dan de kleine verschillen tussen de rassen. Denk daarbij aan je basiszaken als pH.” Daar gaat het al vaak mis, want Eurofins Agro stelde in 2015 en 2016 al vast dat 1 op de 3 maispercelen een te lage pH heeft.

“Op langere termijn kunnen telers iets doen aan de droogtegevoeligheid door het organischestofgehalte in de bodem te verbeteren.” Daar zijn de maiskwekers het mee eens. De Beer: “Dit vraagt actie, zoals aanvoer van organische stof uit bijvoorbeeld compost, die meerdere jaren volgehouden moet worden voor je dat terug ziet op je bodemanalyse. Wel zien we gelijk in het eerste jaar na aanvoer verbetering in zetmeelmeelopbrengst van gemiddeld 12%.” Ook acties als achterlaten van gewasresten door de mais alleen voor de korrel te oogsten, of gebruik van vaste mest en een geslaagd vanggewas dragen bij aan de verbetering van het organischestofgehalte.”

Of registreer je om te kunnen reageren.