Rundveehouderij

Achtergrond

Aanpak IBR en BVD van start

De zuivel wil een landelijke aanpak IBR en BVD niet afwachten en startte op 1 april met een eigen programma. De rol van de GD hierin kan rekenen op kritiek uit Brussel.

De verplichte bestrijding van BVD en IBR voor melkveehouders is 1 april gestart. De aanpak van beide virusziekten is door de zuivel opgenomen in leveringsvoorwaarden. De vleesveehouderij en vleeskalverhouderij werken nog niet mee aan een verplichte bestrijding. Deze sectoren wachten nationale wetgeving af.

In afwachting van Europese erkenning BVD-programma

De stuurgroep 'Collectieve bestrijding IBR in Nederland’ richt zich op 1 januari 2019 als ingangsdatum voor wetgeving voor de IBR-bestrijding. Gezien het reeds lang slepende voortraject is het nog maar de vraag of die datum haalbaar is. BVD wordt voorlopig nog niet in wetgeving opgenomen omdat deze ziekte niet op Europees niveau wordt aangepakt. Maar daar komt volgens Jos Verstraten, ZLTO-bestuurder en voorzitter van de stuurgroep snel verandering in: “BVD is in maart in de European Animal Health Regulation besproken en krijgt naar verwachting dezelfde status als IBR. Dat helpt de voortgang van een nationaal BVD-programma wel. Maar ik vraag me wel af of het met deze ziekte net zo lang lobbyen wordt als met IBR.”

Toch is Verstraten voorzichtig positief: “Ik verwacht wel dat het sneller kan gaan, maar voor hetzelfde geld wacht men eerst IBR af. Het punt is vooral wie het gaat organiseren.”

Ook in België en Duitsland wordt met smart op de Europese erkenning van een BVD-programma gewacht. De Belgische veehouderijsector startte in 2015 met een BVD-programma omdat die ziekte te veel rondging op bedrijven. Ook de Duitse aanpak is gebaseerd op advies om BVD te gaan aanpakken. De uitbraken van het veel schadelijkere BVD-virus type 2 van de afgelopen jaren heeft het animo onder Duitse veehouders een flinke boost gegeven.

De meeste veehouders kiezen voor de snelle routes IBR en BVD en moeten de komende maanden bloed laten onderzoeken van de veestapel. - Foto Ronald Hissink
De meeste veehouders kiezen voor de snelle routes IBR en BVD en moeten de komende maanden bloed laten onderzoeken van de veestapel. - Foto Ronald Hissink

Vrijwel alle veehouders aangemeld

Tot die tijd moet de sector het zelf doen. Melkveehouders moesten zich voor 1 april aanmelden voor 1 van de 3 IBR-routes en 4 BVD-routes. Voor IBR is er keus uit vaccineren, bloedonderzoek of tankmelk. Voor BVD zijn de routes tankmelk, oorbiopt, bloedonderzoek en een combinatie van deze 3. Inmiddels hebben met 16.600 aanmeldingen vrijwel alle melkveebedrijven hun keuze bij ZuivelNL kenbaar gemaakt. Op 9 april moesten er nog 800 bedrijven zich aanmelden voor IBR en nog 700 voor BVD.

Binnen het IBR-pakket kiezen 7.800 voor de snelle route. Deze bedrijven moeten met bloedonderzoek aantonen dat de veestapel vrij is van IBR en ontvangen vervolgens het IBR-vrijcertificaat. Komen er wel antistoffen naar voren, dan kan het bedrijf kiezen voor de route tankmelkonderzoek of vaccinatie; 5.700 hebben voor het tankmelktraject gekozen en 2.300 voor het vaccinatietraject. Voor BVD gaan 10.900 bedrijven voor de snelle route van intake via tankmelk en bloedonderzoek van jongvee en niet-melkgevende koeien. 400 bedrijven kozen de route van de oorbiopten, 1.300 voor de route antistoffen jongvee en 3.300 voor het tankmelktraject.

Het oorbiopt-traject voor BVD wordt niet veel gekozen. Toch moeten veel veehouders in het snelle traject het komende jaar alle kalveren op deze manier testen. - Foto: Hans Prinsen
Het oorbiopt-traject voor BVD wordt niet veel gekozen. Toch moeten veel veehouders in het snelle traject het komende jaar alle kalveren op deze manier testen. - Foto: Hans Prinsen

GD faciliteert en controleert

De verantwoordelijkheid voor de aanpak ligt momenteel bij ZuivelNL. Voor de uitvoering heeft ZuivelNL voor de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) gekozen. De programma’s die nu van start gaan, zijn gebaseerd op de al bestaande GD-programma’s voor IBR en BVD. Om veehouders de mogelijkheid te bieden om ook elders onderzoek te laten doen, konden laboratoria zich aanmelden voor de ‘witte lijst’. Naast de GD hebben zich daarvoor ook het Veterinair Laboratorium Gelderland in Epe en het Belgische Lavetan aangemeld. Alle 3 onderzoeken zowel op BVD als IBR. De uitslagen van de laboratoria komen in een database van ZuivelNL te staan. In combinatie met de aan- en afvoergegevens van een dier worden de statussen van een bedrijf door de GD beheerd. Andere partijen konden zich aanmelden voor deze beheerfunctie maar volgens Verstraten waren er geen andere gegadigden.

Het is nog maar de vraag of nu door ZuivelNL ingezette programma na de invoering van een wettelijk kader in deze vorm blijft bestaan. Het streven is een soepele overgang maar de overheid kan nog wijzigingen aanbrengen, al kan dat het draagvlak in de sector bedreigen. De overheid kan er namelijk voor kiezen om flinke wijzigingen in de landelijke aanpak aan te brengen. “Daarom is het belangrijk dat alle veehouders, ook vleesveehouders, nu al aan de gang gaan met een vrijwillig programma. De sector draagt de kosten voor het programma zelf, straks ook de overheidskosten”, waarschuwt Verstraten.

Op 18 april geeft Nederland een toelichting op de voortgang van de ontwikkeling van het IBR-programma bij de commissie voor diergezondheid van de Europese Commissie.

GD ook struikelblok

De keus om de landelijke aanpak in te richten naar de al bestaande programma’s van de GD is zeer logisch. De expertise en de faciliteiten zijn ruimschoots aanwezig. Toch is het een risicovolle keus voor een landelijk, wettelijk gestoeld programma.

Onder de huidige Europese regels wordt de leidende rol van de GD niet geaccepteerd. In België heeft bijvoorbeeld het Federaal Agentschap voor de voedselveiligheid (FAVV) de lead, met zowel in het Waalse en Vlaamse gewest een overkoepelend laboratorium voor de onderzoeken. Daar hebben zich in 2012 nog een aantal laboratoria meer bij aangesloten. Alle laboratoria moeten voldoen aan specifieke eisen en gevalideerd zijn door het nationaal referentielaboratoria. In Duitsland heeft een overheidsinstantie de landelijke leiding, met in elke deelstaat minimaal 1 geaccrediteerd laboratorium. “Dat laboratorium wordt weer ondersteund door regionale instituten. In Noordrijn-Westfalen gaat het al om 3 laboratoria. Met die spreiding ging Brussel zonder meer akkoord”, licht Peter Heimberg, dierenarts van de Landwirtschaftskammer Noordrijn-Westfalen de Duitse systematiek toe.

De GD, Veterinair Laboratorium Gelderland en Lavetan zijn door Wageningen Bioveterinary Research (voorheen CVI) gevalideerd. Dat deel van de Europese eisen is in ieder geval al ingewilligd.

De nog ongewisse status van de GD nemen de zuivel en de stuurgroep nu voor lief. “Dat deze rol niet geaccepteerd gaat worden, wisten we voordat we eraan begonnen. Er moet straks een gemachtigde instantie worden aangewezen, of de GD moet die zelf opstellen om de lead te kunnen houden. Het besluit ligt bij de overheid, in overleg met de sector. Dat betekent wel vertraging in het traject maar het is belangrijker dat er veel veehouders nu al bezig zijn. Dan hoef je straks alleen nog maar de status te bewijzen en te monitoren”, vertelt Verstraten.

Beter klimaat tankmelk

Niet alleen de rol van de GD maar ook het tankmelkonderzoek kan door de Europese Commissie afgekeurd worden. De EU heeft in 2000 regelgeving opgesteld voor de monitoring van dierziekten en daar is tankmelk niet in opgenomen. Stefaan Ribbens, dierenarts bij Diergezondheidscentrum Vlaanderen (DGZ) ziet echter wel toekomstmogelijkheden: “Die regelgeving is vrij flexibel. Het belangrijkste is dat Nederland aantoont dat het systeem werkt. Voor ons Belgen was tankmelkmonitoring nooit interessant omdat onze veestapel voor 50/50 uit melkvee en vleesvee bestaat. Maar we starten komend najaar toch ook met monitoring via tankmelk. Alleen moeten wij ervoor zorgen dat er voor niet-melkgevende koeien een alternatief is. We durven er wel vanuit te gaan dat de Europese Commissie dit goedkeurt.” Ook in Duitsland wordt ingezet op tankmelk als monitoring, vooruitlopend op een Europese goedkeuring van deze vorm van monitoring. “Wel geldt er de eis van maximaal 50 koeien in 1 pool. Dat betekent dat met name de bedrijven in de noordelijke helft van het land er geen gebruik van kan maken”, nuanceert Heimberg.

Ruimen bij status-10 uit de tijd

Het Belgische IBR-traject duurt vanaf de eerste plannen tot de artikel 9-status nu zo’n 20 jaar. Door de al langere vrijwillige aanpak en het grote aantal bedrijven dat al met dat traject bezig is, is de kans groot dat Nederland er minder lang over doet. Vooral omdat na het instellen van een landelijk plan in België maar 2 jaar nodig was om de artikel 9-status aan te vragen. Verstraten verwacht dat artikel 9-status, na in werking treden van een landelijk programma, binnen 2 jaar wordt bereikt. Het aanvragen van een status-10, de vrije status, is voor Nederland niet aan de orde. Vooral omdat er voor die status niet meer gevaccineerd mag worden en daardoor bij een uitbraak de dieren van het betreffende bedrijf geruimd moeten worden. België oriënteert zich nu hoe er met nieuwe uitbraken van IBR omgegaan moet worden. Ondanks dat bedrijven vrij zijn is er altijd een kans dat er zich een uitbraak voordoet. Duitsland heeft de artikel 10-status al binnen en daar mag dus niet meer gevaccineerd worden. “Dat betekent dat alle runderen op een getroffen bedrijf naar de slacht afgevoerd moeten worden. Of een bedrijf moet dat niet in 1 keer kunnen doen, dan mag er nog gevaccineerd worden. Maar ook die gevaccineerde dieren moeten uiteindelijk afgevoerd worden”, stelt Heimberg. Dit resulteerde het afgelopen half jaar al tot 6 ruimingen van bedrijven in Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen. Zijn Belgische collega Ribbens ziet het ruimingsprincipe niet meer zitten. “Wij, maar ook Nederland, moeten hard nadenken over een andere aanpak. Ruimen is gewoon niet meer van deze tijd. Dat krijg je er bij het publiek niet meer in.”

Of registreer je om te kunnen reageren.