Pluimveehouderij

Achtergrond laatste update:11 sep 2019

Pluimveesector wil integraal verder verduurzamen

De pluimveesector wil integraal verder verduurzamen en heeft voor de komende jaren een uitvoeringsagenda samengesteld om dit te bewerkstelligen. Daarin staat een aantal streefbeelden waar de sector richting 2030 naartoe werkt.

Zo wil de sector 100% gebruik van diervoedergrondstoffen die niet of minder geschikt zijn voor humane consumptie. Een diverse pluimveesector die gewaardeerd wordt in Nederland en waar marge, maatschappelijke inbedding en werkplezier prioriteit hebben boven enkel kostenreductie. Andere streefbeelden voor de langere termijn: biodiversiteit als belangrijk criterium bij de keuze van grondstoffen, de inrichting van het erf en de inperking van emissies, en natuurlijk gedrag als uitgangspunt en randvoorwaarde voor huisvesting zonder dat dit ten koste gaat van milieuaspecten.

Circulariteitsplannen

De uitvoeringsagenda is het plan van de pluimveesector waarmee invulling gegeven wordt aan de circulariteitsplannen van minister Schouten. Tegelijkertijd is het een uitvoering van de visie voor de pluimveesector van LTO/NOP en NVP uit 2016. De agenda is opgesteld door de pluimveesector (Avined, Anevei, COBK, LTO/NOP, Nepluvi, NVP) samen met Nevedi en met inbreng van de Dierenbescherming, een vertegenwoordiging van Natuur en Milieufederaties en de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Belangrijke randvoorwaarden

De sector noemt wel als belangrijke randvoorwaarde dat de te leveren inspanningen en investeringen een eerlijk verdienmodel moeten hebben voor de pluimveehouder. Daarnaast zijn ook andere randvoorwaarden opgenomen, waaronder aanpassingen in de regelgeving zoals het toelaten van diermeel in pluimveevoer.

Fijnstofreductie

Fijnstofreductie is ook onderdeel van het plan. In de uitvoeringsagenda is opgenomen dat pluimveesector en overheid dit jaar een convenant willen sluiten om de emissie van fijn stof en ammoniak verder te reduceren. Bij fijnstofreductie ligt de nadruk op nieuw- en verbouw van stallen en op zogenaamde ‘hotspots’: gebieden met veel omwonenden en veel pluimvee waar de meest gezondheidswinst te behalen valt bij reductie. Minister Schouten meldt in haar Kamerbrief dat de pluimveesector van plan is om de emissie van fijn stof binnen 10 jaar te halveren. Dat klopt, beaamt LTO/NOP-bestuurder Hugo Bens. De pluimveesector is dit plan op dit moment verder aan het uitwerken. Het is een alternatief op het eerdere plan van het ministerie, waarbij bestaande bedrijven 50% en nieuwe bedrijven 70% fijn stof zouden moeten reduceren.

Fijnstofemissie halveren

“Het is niet zo dat elke pluimveehouder van elke stal de fijnstofemissie met 50% moet reduceren”, verduidelijkt Bens over het alternatief van de sector. Bij nieuwe stallen zie je in de praktijk nu al dat meer dan 50% wordt gereduceerd en Bens denkt dat er ook sectorbreed al meer fijn stof wordt gereduceerd dan nu algemeen bekend is omdat veehouders niet altijd alle maatregelen die zij treffen meenemen in hun vergunning. Door de combinatie van het verhogen van de reductiepercentages bij nieuw- en verbouw, passend bij de investeringscyclus van pluimveehouders en de ontwikkeling van beschikbare technieken, en een stimuleringsregeling voor bedrijven in de ‘hotspot’-gebieden, is hij ervan overtuigd dat de sector de fijnstofemissie in deze periode zeker moet kunnen halveren.

Generieke reductie

Minister Schouten zegt de sector ‘de kans te willen geven dit plan verder te concretiseren en uit te voeren’. Als het onvoldoende effect heeft of onuitvoerbaar is, zegt ze alsnog generieke reductie wettelijk te willen gaan regelen. “Om mogelijk tijdverlies te voorkomen, zal die regelgeving

door de staatssecretaris van IenW parallel worden ontwikkeld met de verdere uitwerking van het plan van de sector”, aldus Schouten.

Of registreer je om te kunnen reageren.