Home

Nieuws 7 reacties

Inkomens 2018 mede door droogte fors lager

De inkomens in de land- en tuinbouw zijn in 2018 gemiddeld bijna € 30.000 lager dan in 2017. Het inkomen daalt het hardst in de zeugenhouderij. Verschillen zijn groter dan ooit.

Ga direct naar de inkomens in de:

►varkenshouderij
►melkveehouderij
►akkerbouw
►melkgeiten en vleeskalveren
pluimvee

Het inkomen per ondernemer in de land- en tuinbouw komt in 2018 uit op gemiddeld € 42.000. Dat is bijna € 30.000 minder dan in 2017. De verschillen tussen bedrijven zijn in 2018 ook groter dan in voorgaande jaren, vooral door de droge en warme zomer. Dat blijkt uit de jaarlijkse inkomensramingen van Wageningen Economic Research.

Het inkomen in 2018 ligt duidelijk onder het langjarig gemiddelde van € 51.000. In vrijwel alle sectoren, met uitzondering van de boomkwekerij, is het inkomen in 2018 lager dan in het voorgaande jaar.

Lees verder onder de grafiek

Zeugenbedrijven gingen in 2018 het hardst achteruit in inkomen, van € 200.000 in 2017 naar € 86.000 negatief dit jaar, een daling van ruim 140%. Het inkomen van zetmeelaardappeltelers daalde met 70% naar € 22.000 per ondernemer. Over alle akkerbouwbedrijven gerekend bleef de inkomensdaling beperkt met 5% naar € 38.000. Het inkomen op melkveebedrijven daalt volgens de ramingen van WER met ruim 50% naar € 30.000 per ondernemer.

Droogte drukt inkomen akkerbouw

Voor de akkerbouw als geheel is het inkomen met € 38.000 nauwelijks lager dan in 2017. Maar de verschillen zijn groot, afhankelijk van bouwplan en regio en vooral de mogelijkheden om te kunnen beregenen. De productie per hectare van de meeste gewassen is fors gedaald, met uitzondering van granen.

Op zetmeelaardappelbedrijven daalt het inkomen fors van € 72.000 in 2017 naar € 22.000 in 2018. De combinatie van lagere hectareopbrengsten van aardappelen en suikerbieten in combinatie met een lagere suikerprijs, drukt met name in de Veenkoloniën door in het resultaat. De droogte heeft ook veel invloed op de resultaten in het Zuidwestelijk kleigebied, waar op de meeste bedrijven beregenen geen optie is vanwege zilt bodem- en oppervlaktewater. Op bedrijven waar beregenen wel mogelijk is, kan worden geprofiteerd van hogere prijzen als de opbrengstdaling beperkt blijft.

Inkomen akkerbouwer lijkt gelijk

Het gemiddeld inkomen van akkerbouwers lijkt met € 38.000 in 2018 vrijwel gelijk aan het inkomen in 2017. Maar meer dan ooit zijn de verschillen groot. De prijzen die Wageningen Economic Research hanteert zijn vrijwel allemaal flink gestegen, mede onder invloed van de droogte in Nederland en grote delen van West-Europa. Alleen suikerbieten leveren 20% minder op.
De mate waarin hogere prijzen ook effect hebben op de inkomens van een akkerbouwer, verschillen sterk. Als er vaste contractprijzen zijn heeft de akkerbouwer minder opbrengst, zonder te profiteren van hogere prijzen. Het effect van wel of niet kunnen beregenen is dit jaar extra groot vanwege de langdurige droogte. Het gemiddelde areaal van de akkerbouwbedrijven in de inkomensramingen komt uit op 60 hectare.

Inkomen melkveehouder halveert

Het inkomen van melkveehouders daalt in 2018 met meer dan de helft ten opzichte van een historisch goed 2017. Gemiddeld daalt het inkomen van € 64.000 naar € 30.000, met duidelijk grotere verschillen dan in andere jaren door vooral de gevolgen van de droogte. Vooral op zandgronden is de inkomensdaling groot. Gemiddeld stijgt de post aangekocht veevoer met € 20.000. De melkprijs daalt met bijna 6% en de productie per melkkoe is 3% hoger.

Het grotere aanbod van biologische melk zorgt voor een daling van de biologische melkprijs met 2%. Biologische melkveehouders zien hun inkomen meer dan halveren naar € 20.000.

Lees verder onder de foto

De voerkosten op melkveebedrijven zijn flink hoger door aankoop van meer en duurder voer en het interen op eigen voervoorraden. - Foto: Mark Pasveer
De voerkosten op melkveebedrijven zijn flink hoger door aankoop van meer en duurder voer en het interen op eigen voervoorraden. - Foto: Mark Pasveer

Melkveehouder verdient € 30.000

Het inkomen van melkveehouders komt dit jaar uit op € 30.000 per ondernemer. De melkprijs daalt met 5% naar gemiddeld € 38 per 100 kilo melk. Aankoop van voer steeg met € 20.000, daarnaast zijn de voerkosten € 10.000 hoger omdat is ingeteerd op de aanwezige voervoorraad. De energierekening steeg met 30% voor elektriciteit en 7% voor gas.
Het gemiddeld aantal melkkoeien per bedrijf is weer gestegen naar 103, na een daling in 2017 vanwege het fosfaatreductieplan in dat jaar. Het gemiddelde aantal neemt onder meer toe omdat relatief kleine bedrijven stoppen.
Het inkomen op biologische melkveebedrijven daalt circa 55% en komt op € 20.000 per ondernemer. De biologische melkprijs is minder gedaald en is ingeschat op € 49,50 per 100 kilo, 2% lager dan in 2017.

Melkgeiten en vleeskalveren

De lagere melkprijs en hogere voerkosten zorgen voor een daling van het inkomen op bedrijven met melkgeiten naar € 43.000, dat is 40% minder dan in 2017.

Het inkomen van vleeskalverbedrijven is al jaren stabiel, in 2018 geraamd op € 41.000 tegen € 43.000 in 2017. De flink gedaalde opbrengst uit betalingsrechten is vrijwel geheel gecompenseerd door hogere contractvergoedingen vanuit de kalverslachterijen.

Lees verder onder de foto

Lagere prijzen voor biggen en hogere kosten voor voer en mestafzet zorgen voor verlies in de zeugenhouderij. - Foto: Hans Banus
Lagere prijzen voor biggen en hogere kosten voor voer en mestafzet zorgen voor verlies in de zeugenhouderij. - Foto: Hans Banus

Varkenshouderij in dal

In de varkenshouderij zijn de inkomens flink lager na 2 relatief goede jaren. In 2018 lijkt het dal van de varkenscyclus bereikt. Oorzaken zijn een groter aanbod op de wereldmarkt die de prijzen drukken en hogere voerkosten, mede door de droogte deze zomer. De biggenprijs ligt in de ramingen van Wageningen UR 30% lager dan in 2017. In combinatie met hogere voerkosten en opnieuw gestegen kosten voor de mestafzet, gaat het inkomen in zowel de zeugenhouderij als op gesloten varkensbedrijven onderuit naar een verlies van respectievelijk € 86.000 en € 40.000 per ondernemer.

De hogere kosten voor voer en mestafzet op vleesvarkensbedrijven worden gecompenseerd door de lagere biggenprijs. Maar omdat de opbrengst van varkensvlees lager is dit jaar, daalt ook het inkomen van vleesvarkenshouders, van € 72.000 in 2017 naar € 26.000 dit jaar.

Inkomen varkenshouder naar € 29.000 negatief

Na 2 bovengemiddelde jaren gaan de inkomens in de varkenshouderij hard onderuit naar gemiddeld € 29.000 negatief. De biggenprijs is met € 38,10 per big 30% lager en de prijs voor vlees daalde met 13% naar € 1,38 per kilo geslacht gewicht. Voerprijzen zijn gemiddeld 4% gestegen. De kosten voor mestafzet stijgen dit jaar met 5% naar € 65.000 per varkensbedrijf. Op zeugenbedrijven komen de kosten voor mestafzet in 2018 uit op gemiddeld € 78.000 per bedrijf. Dat komt neer op 7% van de totale betaalde kosten en is 2 keer zo hoog als het langjarig gemiddelde inkomen per bedrijf. Het gemiddelde zeugenbedrijf heeft 800 zeugen in 2018 (790 in 2017). Vleesvarkensbedrijven hebben in 2018 gemiddeld 2.230 vleesvarkens, evenveel als in 2017.

Inkomen pluimveehouder daalt met 30%

Dit jaar is het gemiddelde inkomen van leghennenbedrijven met bijna 30% gedaald (van € 130.000 naar € 93.000) en bleef het gemiddelde inkomen van vleeskuikenbedrijven op hetzelfde hoge niveau (€ 112.000, € 1.000 minder dan in 2017).

De eierprijzen waren van augustus 2017 tot en met maart 2018 fors hoger dan normaal door het eiertekort als gevolg van de fipronil-affaire. Niet getroffen bedrijven profiteerden van de hoge eierprijzen, tenzij ze gebonden waren aan vaste (contract)prijzen.

Bij de vleeskuikenbedrijven stegen de kosten van voer, energie en mestafzet ongeveer even hard als de opbrengsten door 4% hogere vleeskuikenprijzen. Het inkomen uit bedrijf bleef nagenoeg gelijk aan 2017. Het geraamde gemiddelde is 70% meer dan het langjarig gemiddelde over de jaren 2008-'17.

Grote regionale verschillen door droogte

Door de droogte dit jaar zijn de regionale verschillen in inkomens groter dan ooit. Op de kaart zijn de verschillen in inkomens van akkerbouwbedrijven weergegeven. In het Zuidwestelijk kleigebied kunnen bedrijven niet beregenen vanwege zilt grond- en oppervlaktewater. Mede daardoor komt het inkomen in 2018 uit op € 3.000 per ondernemer (2017: € 11.000). 
In het Noordelijk en Centraal kleigebied kan doorgaans wel beregend worden en komt het akkerbouwinkomen uit op € 79.000 in 2018 tegen € 54.000 in 2017. In de Veenkoloniën en op noordelijk zand gaat Wageningen UR uit van € 24.000 (2017: € 74.000). Voor de zandgebieden in Oost-, Centraal en Zuid-Nederland is de raming € 23.000 per ondernemer op een akkerbouwbedrijf, in 2017 was dat € 39.000.
Lees verder onder het kaartje

In de inkomensramingen is gekeken naar verschillen in inkomen per grondsoortgebied. Voor akkerbouwers varieert dat tussen € 3.000 (Zuidwesten) en € 79.000 (Noordelijk en centraal kleigebied). - Afbeelding Boerderij
In de inkomensramingen is gekeken naar verschillen in inkomen per grondsoortgebied. Voor akkerbouwers varieert dat tussen € 3.000 (Zuidwesten) en € 79.000 (Noordelijk en centraal kleigebied). - Afbeelding Boerderij

Verschillen per grondsoort

Binnen de gebieden zijn de verschillen eveneens groot, afhankelijk van onder meer grondsoort op bedrijfsniveau en wel of geen beregening. In de melkveehouderij zijn de verschillen tussen grondsoortgebieden dit jaar ook duidelijk groter dan in andere jaren. In de zandgebieden ligt het inkomen per ondernemer met melkvee op € 23.000 in 2018, in klei- en veenweidegebieden is de raming voor dit jaar bijna het dubbele met € 40.000. 
De verschillen waren vorige jaren duidelijk kleiner. In 2017 was het inkomen op klei en veen gemiddeld € 67.000 en op zandgrond € 60.000. Voor melkveebedrijven geldt ook dat verschillen in een regio groot zijn, oorzaken zijn onder meer wel of niet beregenen en in mindere mate ook de hoogte van de ruwvoervoorraad.

Rentabiliteit weer onder 100%

In 2018 komt de rentabiliteit van land- en tuinbouwbedrijven uit op 96%. In 2017 kwam dat voor het eerst in jaren met 104% net boven 100% uit. Bij een rentabiliteit van 100 zijn de opbrengsten even hoog als alle kosten. In de kosten is dan naast alle betaalde kosten ook rekening gehouden met een marktconforme vergoeding voor de arbeid van de ondernemers en een vergoeding voor het ingezette eigen vermogen. De rentabiliteit van zeugenbedrijven is gedaald van 120 in 2017 naar 81 in 2018. Voor alle varkensbedrijven komt de rentabiliteit uit op 89.

Melkveebedrijven halen in 2018 een rentabiliteit van 91 tegen 103 in 2017. Op akkerbouwbedrijven komt de rentabiliteit dit jaar uit op 90 gemiddeld, dat zat vorig jaar met 92% ook nog ruim onder 100%.

De verhouding tussen opbrengsten en kosten komt in 2018 uit op 96%. Dat wil zeggen dat alle kosten (inclusief berekende arbeidsvergoeding en rente op het eigen vermogen) niet volledig worden gedekt uit de opbrengsten.

Laatste reacties

  • veldzicht

    Toch droevige cijfers als je kijkt naar de gemaakte uren en het kapitaal wat er in is gestoken.Mijn buurman die psychiater is verdient zonder 1 cent investering en veel minder uren en risico 5 x zoveel als de meeste boeren ,op pluimveehouders na dan.

  • Firma Vellenga

    Klopt, en zo verdient hij misschien ook nog aan ons. Het advies is toch altijd zoek hulp als het niet goed gaat?

  • varken23

    Lijkt wel of de belangrijkste functie van de Nederlandse boer is het faciliteren van het verdienmodel voor de periferie. De financiële winst mogen we niet ontvangen, de kritiek vanuit de maatschappij op de productiemethode wel.
    Zoveel risico's lopen om geld en werkgelegenheid voor andere te creëren. Het is eigenlijk gekkenwerk.

  • arink

    Wie het wil, mag morgen ook als psychiater beginnen Veldzicht. Laten we onszelf vooral niet beklagen, maar lering trekken uit het verdienmodel van bijvoorbeeld de psychiater; die is wel zo slim geweest om de markt niet te overvoeren, en een zodanig aanbod te creëren dat de prijs goed overeind blijft, én met de inflatie mee gaat. Hij of zij heeft niet vier keer zoveel patiënten als in 1980.

  • varken23

    Klopt helemaal @arink, bijna iedereen profiteert van de overproductie in de landbouw behalve de boer. Door overproductie word er veel AAN een boerenbedrijf verdient maar weinig MET een boerenbedrijf.

  • veldzicht

    @Arink hoe wil jij dat in je eentje doen de markt niet overvoeren? als het al mogelijk is volume of prijs afspraken afspraken te maken,wereldwijd,krijg je gelijk de nma in je nek,die leren je het wel af door enorme boetes.Als de overheid nu eens ophield met hun overbodige en vooral dure regels en wetten zou al een stuk schelen.Maar ik klaag niet hoor,ik constateer alleen maar.Als je echt wil verdienen moet je niet in voedsel productie zitten,het wordt niet gewaardeerd en de verdiensten zijn vaak matig tot slecht.

  • varken23

    Ketensamenwerking is de meest realistische oplossing. In landen met een lage kostprijs werken ze met integraties. Verlies en winst worden op een eerlijke manier verdeeld. Dit zorgt ervoor dat de tegenstrijdige belangen tussen de schakels binnen de keten weggenomen worden. Wanneer de neuzen allemaal dezelfde kant opstaan kunnen we voedsel produceren op een manier die voor alles en iedereen duurzaam is. Ketensamenwerking vind op dit moment in Nederland natuurlijk ook al plaats maar dat zal veel meer moeten gaan gebeuren.

Laad alle reacties (3)

Of registreer je om te kunnen reageren.