Home

Nieuws

Meer v-MRSA bij mensen die geen contact met landbouwhuisdieren hebben

Het aantal mensen met veegerelateerde MRSA (v-MRSA) dat geen contact heeft met landbouwhuisdieren lijkt toe te nemen.

15% van de dragers van v-MRSA heeft geen contact gehad met varkens of vleeskalveren, terwijl beroepsmatig contact met landbouwhuisdieren de belangrijkste risicofactor is voor dragerschap van de multiresistente bacterie. “Dit wijst erop dat er andere risicofactoren moeten zijn voor v-MRSA, zoals transmissie van mens-op-mens of blootstelling via het milieu”, aldus het RIVM in het rapport Staat van de zoönosen 2016, die minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Vaker MRSA in veedichte gebieden

In een studie naar dragerschap bij mensen die wonen in een veedicht gebied, maar niet wonen of werken op een veehouderij, bleek dat 14 van de 2.492 (0,6%) deelnemers MRSA-positief was. Hierbij hadden 10 van de 14 mensen de veegerelateerde variant van MRSA. Hiermee komt MRSA bij bewoners in veehouderijgebieden vaker voor dan bij de algemene bevolking, waar 0,1 tot 0,2% drager is van MRSA.

Foto: Jan Willem Schouten
Foto: Jan Willem Schouten

Daarnaast waren er in een straal van 1.000 meter rond het woonadres significant meer pluimvee, runderen en paarden bij v-MRSA-dragers vergeleken met niet-dragers. “De sterke relatie met afstand tot veehouderijen impliceert een mogelijke blootstelling via het milieu, bijvoorbeeld via aerosolen”, aldus het RIVM.

In Denemarken komt v-MRSA ook voor bij mensen die geen contact met landbouwhuisdieren hebben. Het type bacterie dat bij deze mensen voorkomt, komt sterk overeen met een type dat in pluimveevlees in Frankrijk wordt gevonden.

Anders dan bij ‘gewone’ MRSA leek v-MRSA zich minder goed te verspreiden van mens op mens. Uit recent onderzoek bij 16 gezinnen van dierenartsen, blijkt de bacterie echter wel overdraagbaar van mens op mens, zonder dat ze contact hebben gehad met landbouwhuisdieren. Dat gebeurde bij 14 van de 16 gezinnen.

Q-koorts

In 2016 was het aantal humane besmettingen met Q-koorts met 14 gevallen het laagst sinds de grote uitbraak in 2007 – 2010. In de veehouderij geldt voor Q-koorts meldingsplichting. In 2016 kreeg de NVWA 2 meldingen van een afwijkend aantal verwerpers. Hiervan werd één bedrijf bezocht en bemonsterd, maar daar werd de Q-koortsbacterie niet aangetoond. Op het andere bedrijf waren de geiten gevaccineerd en heeft de NVWA geen onderzoek uitgevoerd. Bij het verplichte tankmelkonderzoek werd bij de Gezondheidsdienst voor Dieren 2 keer een positief tankmelkmonster gevonden. Bij hercontrole door de NVWA werd dit echter niet bevestigd.

RIVM constateert in de Staat van de zoönosen verder dat er voor de meeste zoönosen geen opmerkelijke veranderingen zijn waargenomen. Het grootste aandeel van de zoönotische infecties vormden ook in 2016 de bacteriële infecties die via voedsel overgedragen worden: Campylobacter, Listeria monocytogenes, Salmonella en STEC.

Of registreer je om te kunnen reageren.