Home

Achtergrond 7 reacties

CBb: ‘We hebben weinig speelruimte in fosfaatproject’

Het eerste fosfaatproject van het CBb loopt ten einde. Meer dan 600 uitspraken zijn er gedaan, negen werden gehonoreerd omdat de melkveehouder te zwaar getroffen werd door het fosfaatstelsel. Een tussenbalans.

De invoering van het fosfaatrechtenstelsel vanaf 1 januari 2018 heeft tot een stortvloed aan rechtszaken geleid. De peildatum voor de fosfaatrechten – van 2 juli 2015 – zorgde voor veel schrijnende situaties van melkveehouders met half leegstaande stallen of nog erger.

Om te voorkomen dat boeren jaren zouden moeten wachten op een uitspraak werd begin 2019 een speciaal fosfaatproject gestart bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Doel was om maart 2020 alle rechtszaken afgehandeld te hebben over de zaken uit 2018. CBb-rechter Ron Stam is als projectleider tevreden over de voortgang, weliswaar is de einddatum maart 2020 niet gehaald, maar in ruim 600 van de 800 zaken is ondertussen uitspraak gedaan. Wat de gevolgen van de coronacrisis zijn voor de afhandeling van de overige zaken is nog niet helemaal duidelijk. Volgens de CBb-woordvoerder wordt onderzocht of ‘telehoren’ een mogelijkheid is.

Niet geheel toevallig is er op het moment dat het eerste deel van het fosfaatproject ten einde loopt een overzichtsuitspraak gepubliceerd. Daarin zet het CBb uiteen hoe ze tot hun oordelen zijn gekomen en welke afwegingen daarbij zijn gemaakt.

Het horrorscenario voor melkveehouders. Een nieuwe stal maar te weinig fosfaatrechten om de stal vol te zetten. Honderden veehouders overkwam het. - Foto: Paul Dijkstra
Het horrorscenario voor melkveehouders. Een nieuwe stal maar te weinig fosfaatrechten om de stal vol te zetten. Honderden veehouders overkwam het. - Foto: Paul Dijkstra

Snellere procedure

Om de snelheid er in te houden werd aan het begin aangekondigd dat er steeds een aantal zaken tegelijkertijd behandeld zou worden met een spreektijd van vijf minuten per zaak. Dat systeem werd al vrij snel weer losgelaten Stam: “Mij stond voor ogen op één tijdstip verschillende mensen in de zaal die zien wat er gebeurt, dat bespaart ook tijd. Vooral advocaten vonden dat toch niet prettig omdat ze het gevoel hadden hun cliënten te weinig aandacht te kunnen geven. Een andere reden te stoppen meerdere zaken tegelijk te behandelen was dat we merkten dat fosfaatzaken een enorme impact op de veehouders hebben. Daarom hebben we besloten elke zaak op een apart tijdstip te zetten zodat ieder tot zijn recht kan komen. Als rechter kun je dan misschien net nog wat meer aandacht besteden aan het individuele verhaal. Als er achter in de zaal nog meer mensen geëmotioneerd zitten met hun verhaal is dat wat lastiger.”

‘CBb heeft zich gediskwalificeerd’

In het maartnummer van Tijdschrift voor Agrarisch Recht veegt Willem Bruil de vloer aan met de manier hoe het CBb omgaat met fosfaatrechtenjurisprudentie. Dat doet hij in een noot onder de overzichtsuitspraak van het CBb, waarin de beweegredenen van het College op een rij worden gezet.

Volgens Bruil verplaatst het CBb zich in en identificeert het zich met het beleid van de wetgever en neemt het College ten onrechte geen financiële compensatie in overweging om generieke korting te vermijden. Bruil: “Als de wetgever broddelwerk aflevert met het fosfaatrechtenstelsel, betekent dat toch niet dat de rechter dat dan ook maar moet doen.”

De vereenzelviging komt tot uitdrukking in de zorgen die het CBb zich maakt over de toenemende behoefte aan extra fosfaatrechten door de stijgende melkproductie. Bruil: “Wat heeft de rechter daarmee te maken?” Het is voor de Bijzonder hoogleraar Agrarisch Recht wel meteen de verklaring voor het zeer geringe aantal gehonoreerde uitspraken.

Voor de individuele en disproportionele last komt het CBb met zelf ‘verzonnen drempels’ voor een toegang tot de bescherming. Uit niets blijkt volgens Bruil dat op de peildatum alle vergunningen verleend moeten zijn. Een andere zelf bedachte drempel is dat niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking komen voor fosfaatrechten. Bruil: “Waar staat dat?“

Ook de invulling van het begrip ‘voorzienbaarheid is volgens Bruil zelf ontwikkeld door het CBb. Bruil: ‘De conclusie is dat het CBb zichzelf met de fosfaatrechtenjurisprudentie ernstig heeft gediskwalificeerd.’

Zwaar teleurstellende uitspraken

Voor bijna alle melkveehouders loopt een fosfaatrechtprocedure bij het CBb op een zware teleurstelling uit. Tot op dit moment zijn maar negen van de ruim 600 procederende veehouders in het gelijk gesteld, omdat de invoering van het fosfaatrechtenstelsel voor hen een individuele disproportionele last (IDL) opleverde. Het fosfaatrechtenstelsel was in hun geval daarmee in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (art. 1 EP).

‘Ik ben niet verrast’

Terwijl veel advocaten zich verbazen over dit geringe aantallen boeren dat in het gelijk gesteld wordt, is rechter Stam eigenlijk helemaal niet verrast. “Nee, ik ben absoluut niet verbaasd. Het gaat over de individuele disproportionele last. Daarbij vraag je aan de rechter, nadat de Nederlandse wet goed is toegepast, die wet opzij te zetten vanwege art. 1 EP. Dat is echt een ‘juridisch muizengaatje’. Het kan, maar is heel bijzonder als je dat doet. Er moet dan sprake zijn van een disproportionele last voor een individuele melkveehouder in verhouding tot het doel van de regeling.”

Er moet dan sprake zijn van een disproportionele last voor een individuele melkveehouder in verhouding tot het doel van de regeling

CBb-rechter Ron Stam

In eerdere uitspraken is geconstateerd dat regulering van eigendom in de vorm van het fosfaatrechtenstelsel wel mag. Dus dan komt het helemaal aan op de individuele verhalen die het rechtvaardigen dat je Nederlandse wet opzij zet. Dat is nogal wat, dan moet er echt iets aan de hand zijn. Het zit niet alleen in de verhalen zelf, je moet een hele hoge drempel over als veehouder, de stelplicht betekent dat je een goed verhaal moet hebben. De individuele boer moet alles bewijzen, als de feiten bestreden worden.”

Ook veehouders die omschakelden van varkens naar melkkoeien kwamen in de problemen door het fosfaatrechtenstelsel. - Foto: Hans Prinsen
Ook veehouders die omschakelden van varkens naar melkkoeien kwamen in de problemen door het fosfaatrechtenstelsel. - Foto: Hans Prinsen

Bedenking over LNV

Over de manier hoe LNV met uitspraken van het CBb is omgegaan, heeft Stam wel zijn bedenkingen. “De wetgever heeft keuzes gemaakt, wetend dat er dan alleen een ‘juridisch muizengaatje’ overblijft. Vervolgens wordt er geen enkel geval door LNV gehonoreerd wat betreft artikel 1 EP. Dat betekent dat die hete aardappel wordt doorgeschoven naar ons en dan is het niet zo gek dat je heel veel gevallen krijgt die niet gehonoreerd worden.”

Toch verwijt Stam LNV niet het doorschuiven van de problemen naar het CBb. “Wij zijn ervoor om die toetsing te verrichten. Maar het is wel anders dan we gewend zijn als je het hebt over een paar duizend zaken. En speelruimte is er in dit geval ook niet, die biedt de wet niet. Er is hooguit een heel klein noodluik waar het eigendomsrecht een probleem is. Echt heel klein.”

Kritiek op uitspraken en uitleg knelgevallen

De kritiek uit de agrarische sector, van advocaten en een enkele hoogleraar dat het CBb de melkveehouders wel erg weinig te bieden heeft en te weinig doet voor knelgevallen, legt Stam naast zich neer. “Verschillende critici zouden graag zien dat het CBb melkveehouders meer tegemoet zou komen. In zijn noot bij de overzichtsuitspraak maakt Bruil zich sterk voor de belangen van de melkveehouders (zie kader ‘CBb heeft zich gediskwalificeerd’). Die critici maken alleen niet duidelijk hoe en verliezen uit het oog, dat de rechter – zo staat dat in artikel 11 van de Wet algemene bepalingen – volgens de wet recht spreken: hij mag niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Ik citeer uit de overzichtsuitspraak: “Het is de wetgever en niet de rechter die de politieke afwegingen maakt.”

Accountantsrapporten blijken onnodig

Boeren zijn onnodig op kosten gejaagd door RVO.nl volgens CBb-rechter Stam: “RVO.nl heeft geprobeerd een beetje sturing te geven aan wat je als melkveehouder aan bewijs nodig hebt om aan te tonen dat je te maken hebt met een individuele disproportionele last (IDL).”

Daarvoor heeft RVO.nl een raamwerk gemaakt wanneer je als melkveehouder mogelijk te maken hebt met IDL. Volgens RVO.nl is een van de belangrijkste bewijsstukken voor de melkveehouders een accountantsrapport dat hun – slechte – financiële situatie aantoont.

“Dat heeft de boeren duizenden euro’s gekost. Daar komen ze dan mee op de zitting, maar wat bewijst het? Dat iemand in financiële problemen is gekomen? Sorry, maar daar heb ik dat accountantsrapport echt niet voor nodig. Als er een miljoen euro geïnvesteerd is in een stal en die staat vervolgens halfleeg, dan verdien je dat als melkveehouder moeilijk terug. Daar heb ik dat accountantsrapport niet voor nodig."

De betekenis van die accountantsrapporten is wel heel relatief, vindt Stam. "Het is natuurlijk geen onzin, maar van de praktijk kunnen we wel leren. Er is veel geld gestoken in iets waar de waarde betrekkelijk is. We hebben hierover in de overzichtsuitspraak ook wat gezegd. Daar hebben we wat piketpaaltjes geslagen.”

‘Compenseren op andere wijze niet mogelijk’

Dat het CBb knelgevallen ook zou kunnen compenseren op een andere wijze dan met fosfaatrechten, zoals Bruil stelt, is volgens Stam niet mogelijk. ”Voor de uitleg van de knelgevallenregeling grijpen we terug op de bedoeling van de wetgever. Dat is een veel toegepaste en algemeen aanvaarde manier van wetsuitleg.”

De knelgevallenvoorziening betrekt hij er bewust niet bij, wat in de toekomst met de op 2 juli 2015 beschikbare productiemiddelen mogelijk zou zijn, maar hij kijkt allen naar het verleden. Ondernemers die van plan waren hun bedrijf uit te breiden maar die uitbreiding nog niet hadden gerealiseerd, komen niet in aanmerking voor de knelgevallenregeling. De wetgever heeft namelijk uitdrukkelijk afgezien van een knelgevallenvoorziening voor uitbreidende melkveehouders. De melkveehouders wijken daarom uit naar het in internationaal recht verankerde eigendomsrecht. Dat eigendomsrecht staat niets aan regulering in de vorm van het fosfaatrechtenstelsel in de weg en daarbij speelt de voorzienbaarheid een rol.

‘Snoeiharde’ uitspraken en begaan zijn met veehouders

Tijdens rechtszittingen over fosfaatzaken blijkt er vaak veel begrip te zijn van de rechter voor de situatie van de melkveehouder. De rechter geeft de toehoorder, en dus ook ongetwijfeld de betreffende melkveehouder, het gevoel dat hij of zij oog heeft voor de grote problemen die de te weinig toegekende fosfaatrechten opleveren.

De uitspraken van het CBb komen echter vaak ‘snoeihard’ over, strikt volgens de regels. Volgens fosfaatrechten-coördinator Stam gaat het echter niet zozeer om de pure wetsuitleg. “Het gaat erom of de individuele vraag rechtvaardigt dat je de Nederlandse wet opzij zet. Die drempel is bijzonder hoog. De keuze voor de invoering van een wet ligt bij de politiek. Dit is een voorbeeld waarin de wetgever doet waar die voor bedoeld is namelijk keuzes maken. Dit is een lastige problematiek met lastige afweging, maar de wetgever heeft ze wel gemaakt. Als rechter heb ik daar geen opvatting over.”

Het gaat erom of de individuele vraag rechtvaardigt dat je de Nederlandse wet opzij zet. Die drempel is bijzonder hoog

CBb-rechter Ron Stam

Toch begrijpt Stam wel dat het menselijke aspect in een uitspraak tekort komt. “Het is wel waar dat de menselijke kant niet altijd terug te vinden is in een uitspraak. Ik geloof er zelf meer in dat dat gedeelte van de zaak meer tot zijn recht komt tijdens de zitting. Ik heb overigens niet alleen begrip, maar ben ook begaan met de mensen. Dat geldt voor al die rechters. Om te voorkomen dat tijdens de zitting mensen daar dan meteen hoop op een positieve uitspraak aan ontlenen, benoem ik ook altijd de menselijke en de zakelijke kant en dat ik uiteindelijke een zakelijke beslissing moet nemen. Ik hoop niet dat veehouders weggaan met de misvatting dat het persoonlijke verhaal verwachtingen wekt. Het is misschien niet altijd te vermijden. Maar het is oprecht begaan zijn met mensen die in een hele nare situatie zijn beland.”

Grond verpachten aan een akkerbouwer in 2015 kon betekenen dat de grondgebondenheid op het spel kwam te staan. - Foto: Peter Roek
Grond verpachten aan een akkerbouwer in 2015 kon betekenen dat de grondgebondenheid op het spel kwam te staan. - Foto: Peter Roek

Het probleem van de voorzienbaarheid

Voor veel advocaten is het aspect ‘voorzienbaarheid’ die het CBb hanteert moeilijk te begrijpen. Advocate Esther Wijnen van Linssen Advocaten: “Er is wat betreft voorzienbaarheid een trend ingezet in de jurisprudentie en die zet steeds verder door.” Volgens Wijnen wordt van boeren verwacht dat ze vanaf ongeveer 2010 hadden moeten aanvoelen/weten dat de overheid met vervangende wetgeving zou komen na het wegvallen van het melkquotum in 2015. Ook advocate Jacoline Kroon van A&S Advocaten in Wageningen heeft moeite met de zienswijze op dit vlak van het CBb. “Er zijn veel schrijnende zaken, waarbij voor de uitbreiders grote nadruk wordt gelegd door het CBb op de voorzienbaarheid en de vraag of er een noodzaak was tot uitbreiding.”

Fosfaatproject 2019 start waarschijnlijk in juli

Aansluitend aan de afronding van het eerste fosfaatproject met de zaken over 2018 start een tweede fosfaatproject met de 2019-zaken. De startdatum is als gevolg van de coronacrisis wat verschoven; men hoopt op 1 juli te kunnen starten. Ook over 2019 zijn al meer dan 800 zaken aanhangig gemaakt. “En er komen er dagelijks nog steeds nieuwe binnen”, aldus de CBb-woordvoerder. Afgelopen maart is gestart met de behandeling van de rechtszaken rond het fosfaatreductieplan uit 2017, deze worden afgehandeld bij de Raad van State onder de vlag van het CBb.

“Voorzienbaarheid’ komt niet bij ons vandaan’

CBb-rechter Stam is niet blij met het woord voorzienbaarheid. “Volgens mij komt het niet bij ons vandaan. Ik ben er niet gelukkig mee, omdat het de indruk wekt dat je van boeren verwacht dat ze weten dat de regels gaan veranderen. De kern is dat rond 2009 duidelijk werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft. Je moet als melkveehouder wel heel lang met je gedachten afwezig zijn geweest als het je ontgaan is dat we in Nederland al jaren een mestprobleem hebben. In die context ga je als ondernemer beslissen of je een kans pakt.”

“De term voorzienbaar levert bijna het verwijt op dat je die kans genomen hebt”, gaat Stam verder. “Waar het om gaat is dat je een beslissing neemt als ondernemer. Als je onverantwoordelijke risico’s neemt zul je niet snel in art 1 EP vallen. Maar de meeste boeren vallen niet in die buitencategorie. We zouden vergelijkbare beslissingen hebben genomen, maar het is wel een ondernemersbeslissing. Daar kleven risico’s aan en die zijn voor je eigen rekening. Want als het goed gaat en je verdient eraan – bij sommige melkveehouders is het ook goed gegaan – dan vragen we ook niet dat terug te storten. In de jaren van 2013 tot 2015 moest je wel steeds voorzichtiger worden omdat de signalen dat het wel eens ‘fout’ zou kunnen gaan, wel steeds sterker werden.”

Willekeur peildatum

Dat de peildatum, 2 juli 2015, een vorm van loterij is voor melkveehouders waarbij je geluk had als je je stal vol had staan en anders gewoon pech, wil er bij Stam niet in.

“De wetgever heeft niet voor niets gekozen voor een peildatum. Want bij een moment in de toekomst gaat iedereen zich daarop aanpassen. De wetgever kiest doelbewust voor 2 juli 2015, maar had waarschijnlijk liever 1 april 2015 (einde melkquotum, red.) gekozen, omdat dat zo cruciaal was. Voor boeren kan het zo voelen. Het is afweging van belangen die de wetgever moet maken. Dat zit in die wet, niet bij de rechter. Wij passen de wet toe en leggen hem uit. De wet is leidend. Het voelt wel eens oneerlijk, dat blijkt ook wel op de zittingen. Dat maakt dat er op de zittingen aandacht moet zijn voor die oprecht gevoelde beleving. Ik ben ermee begaan wat het doet met mensen en bedrijven.”

CBb: lusten en lasten van investeringen liggen beide bij veehouder

Investeringsbeslissingen van melkveehouders zijn risico’s die voor rekening van de ondernemer dienen te komen. Dat blijkt uit een overzichtsuitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). ‘De beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, […] , of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waarvan de risico’s inherent zijn. […] Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt.’

Volgens het CBb zijn zowel de voor- als de nadelen, ongeacht de concrete bedrijfseconomische effecten, voor rekening van de melkveehouder en niet af te wentelen op de gemeenschap. ‘Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel vormt een individuele en buitensporige last (IDL).’

Van de tot nu toe ruim 600 uitspraken die het CBb gedaan heeft zijn er 9 (negen!) waarbij de gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel leiden tot een (onaanvaardbare) individuele en buitensporige last.  Daarvoor moet volgens het CBb de ondernemersbeslissing ‘navolgbaar’ zijn op basis van de volgende criteria:

  • wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen;
  • de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen;
  • de mate waarin is geïnvesteerd;
  • en de reden waarom is geïnvesteerd.

Er moeten volgens het CBb goede redenen zijn om IDL aan te nemen. Het CBb weegt het algemeen belang van het fosfaatrechtenstelsel (o.a. bescherming van het milieu en volksgezondheid) tegen de individuele belangen van de melkveehouder.

In negen zaken oordeelde het CBb tot nu toe dat toepassing van het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met art. 1 Eerste Protocol van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

In vier uitspraken gaat het om uitbreiders en omschakelaars, in de eerste zaak betreft het een boer die zijn varkenstak beëindigt en zijn melkveetak uitbreidt. Een navolgbare beslissing gezien de omstandigheden, aldus het CBb. In de tweede zaak een melkveehouder die in 2012 een bestaand bedrijf kocht, te maken kreeg met een met terugwerkende kracht verlaagd fosfaatrecht. In de derde zaak gaat het om een melkveehouder die door ziekte van een van zijn zoons relatief laat zijn uitbreiding kan realiseren. In de vierde zaak betreft het een boer die door ziekte de omschakeling van varkens naar melkkoeien niet tijdig kon afronden.

Daarnaast zijn er drie uitspraken over verpachte grond waardoor melkveehouders niet grondgebonden waren op de peildatum. Daar was het eenmalige en tijdelijk karakter van de pacht doorslaggevend en het grondgebonden handelen door mest uit te rijden.

Een achtste zaak gaat over de cyclische bedrijfsvoering van een opfokbedrijf dat afwijkt van een standaard melkveebedrijf. De peildatum op een enkel moment houdt hier geen rekening mee. In de negende zaak door het CBb gehonoreerde zaak gaat het om een melkveehouder die door een fout van RVO.nl in het kader van de melkveefosfaatreferentie op de peildatum een lagere veebezetting had dan hij anders gehad zou hebben.

Kritiek op de wetgever

Dat er zoveel rechtszaken over fosfaatrechten zijn heeft volgens advocaat Peter Goumans van Hekkelman Advocaten in Nijmegen alles te maken met het systeem. Als je geen bezwaar maakt of een procedure stopt, zijn de kansen meteen verdwenen. Goumans: “Melkveehouders zijn vaak huiverig om de procedure te beëindigen, men grijpt elke kans aan. Een voorbeeld is de rechtspraak die zich ten aanzien van grondgebondenheid heeft ontwikkeld. Bij eenmalige verhuur van grond in 2015 heeft het CBb gecompenseerd. Sommige melkveehouders hadden de procedure al beëindigd en balen er nu van dat zij die mogelijkheid hebben laten liggen.”

Stortvloed aan procedures

Terugkijkend op het eerste deel van het fosfaatproject is Ron Stam het er mee eens dat het systeem heeft geleid tot de stortvloed aan procedures. “Het systeem waarin we werken is dat op basis van de wet een fosfaatrecht moest worden vastgesteld, vervolgens is er zes weken de tijd bezwaar te maken. Doe je dat niet, dan is het einde oefening. Daardoor krijgen wij duizenden zaken en als eenmaal de stap gezet is en je hebt het griffierecht en de advocaat betaald, dan is de prikkel om de zaak in te trekken niet zo groot meer.”

De CBb-rechter zou, om de grote aantallen vergelijkbare zaken te voorkomen, graag zien dat de rechterlijke macht meer mogelijkheden krijgt. “Mijn gedachte zou zijn, dat als de rechter dit ziet aankomen er de gelegenheid is om stukjes van de wet opzij te zetten. Bijvoorbeeld bij de beslistermijn. Zodat als er bezwaar gemaakt is, dat voorlopig geparkeerd wordt bij het ministerie en er vervolgens gerichte keuzes gemaakt kunnen worden. Voor de wetgever is dat niet ingewikkeld. Maar je moet zoiets van tevoren regelen, voor de fosfaatrechtszaken was dat al te laat.”

Geringe kans op meer fosfaatrechten

De conclusie tot nu toe moet zijn dat de manier waarop het CBb het fosfaatrechtenstelsel beoordeeld heeft, melkveehouders weinig uitzicht biedt op een bijstelling van de aan hen toegekende fosfaatrechten. Dat bewijzen de meer dan 600 CBb-uitspraken overduidelijk. Uit niets blijkt dat de ingezette lijn voor de fosfaatzaken over 2019 anders zal komen te liggen. Een weinig hoopvol vooruitzicht voor de vele honderden melkveehouders van wie de zaak nog behandeld moet worden.

Laatste reacties

  • Zuperboer

    De bijl aan de wortels van de rechtsstaat als je de bijdrage van Willem Bruil leest. Het CBB voegt zich naar 1 van de partijen........ Dat is waar de landbouw in de rechtsstaat Nederland voortdurend tegen aan loopt. De wetgever blundert en de ingezetene/onderdaan moet het maar accepteren én de financiele lasten van deze blunder dragen. Is er dan toch iets wáár van de twijfels die sommigen bij de kwaliteit van de rechtsspraak hebben. Dit wordt ongetwijfeld verder uitgezocht.

  • egbert

    Al rammelt de verdediging van alle kanten hebben ze zich maar half gebakken ingelezen en veeg je de vloer er mee aan uitspraak rechter staat vast zelf meegemaakt corrupte bende .

  • egbert

    Wie betaald die bepaald.

  • Kelholt

    CBb-rechter Ron Stam: 'Er moet dan sprake zijn van een disproportionele last voor een individuele melkveehouder in verhouding tot het doel van de regeling.'
    Wat was ook alweer het doel van invoering het fosfaatrechtenstelsel? Behoud van derogatie. Hebben we nu derogatie? Nee. Hebben we fosfaatrechten? Ja. Lekkere redenering Ron Stam.
    En later zegt Ron Stam': 'Je moet als melkveehouder wel heel lang met je gedachten afwezig zijn geweest als het je ontgaan is dat we in Nederland al jaren een mestprobleem hebben.'
    Dus eerst heb je het over de individuele (melkvee) boer en nu heb je het over de hele veehouderij?

    Het relaas van rechter Ron Stam staat symbool voor de uitspraken van het CBb. Wat een bedroevend niveau.

  • J.W. de Kloet

    ben er zelf geweest en ondervonden dat rechtstaat in Nederland niet bestaat. corrupte boeven bende

  • kanaal

    boeren zijn gewoon rechteloos in dit land.

  • De overheid blunderd. ,en hetCBb is meer de psychiater die luistert,,ja knikt ,,,,begrip toont en vervolgens de volgende patient behandeld. Met rechtsgang heeft het in ieder geval niks te maken..

Laad alle reacties (3)

Of registreer je om te kunnen reageren.