HSK400906_18

Fosfaatrechten en prijs fosfaatrechten

Lees in het dossier alles over de veelbesproken onderwerpen fosfaat, fosfaatreductie, derogatie en fosfaatrechten.

Terug naar dossier
Home

Achtergrond

Minder stikstof in nieuwe excretienormen

De forfaitaire normen voor de mestproductie worden aangepast. Een nieuwe rekenmethode voor stikstofverliezen zorgt voor een lagere stikstofnorm. De fosfaatnorm daalt eveneens licht.

Het ministerie van Landbouw gaat de forfaitaire excretienormen voor de hoeveelheid stikstof en fosfaat die dieren produceren actualiseren. Via een internetconsultatie heeft het ministerie bekend gemaakt met welke cijfers veehouders vanaf 2020 moeten rekenen om bijvoorbeeld te bepalen hoeveel fosfaatrechten, varkens- of pluimveerechten ze nodig hebben, hoeveel mestopslagcapaciteit nodig is of hoeveel mest mag worden uitgereden op het land. De normen worden met regelmaat geactualiseerd vanwege veranderingen in de voersamenstelling en de houderijsystemen, of nieuwe inzichten over de rekenmethodes.

2018 telt niet mee

De nieuwe excretienormen zijn gebaseerd op de resultaten van de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) over een periode van 3 jaar. In dit geval gaat het om 2015, 2016 en 2017. Het bijzonder droge jaar 2018, waarin de fosfaatproductie van melkvee erg laag was, telt niet mee in de voorgestelde nieuwe normen. Als 2018 wel was meegenomen, zouden de fosfaatnormen voor melkvee duidelijk lager uitkomen. Nu de normen gebaseerd zijn op de periode van 2015 tot en met 2017 komt de fosfaatproductie per melkkoe nog wel lager uit dan de huidige norm, maar de daling is beperkt.

Groot verschil bij stikstof

De verschillen tussen de huidige en de nieuwe stikstofnormen zijn aanzienlijk groter. Dat komt doordat er een nieuwe rekenmethode wordt toegepast voor gasvormige stikstofverliezen. Deze verliezen zijn essentieel voor de berekening van de netto excretie van graasdieren en voor de toepassing van de stalbalans bij hokdieren. Bij de vorige actualisatie is gebleken dat de berekening met het National Emission Model for Agriculture (NEMA) leidde tot zeer lage stikstofverliezen in vergelijking met de tot dan toe gehanteerde waarden. Door een te lage stikstofcorrectie wordt er op papier te weinig stikstof via de mest afgevoerd om de stalbalans kloppend te krijgen. Het ministerie heeft daarom destijds besloten de stikstofcorrectie volgens de NEMA-methode voor bepaalde diersoorten niet op te nemen.

Verhouding tussen stikstof en fosfaat

De nieuwe methode is gebaseerd op een nieuw onderzoek naar de vervluchtiging van stikstof uit dierlijke mest. Hierbij is onder andere gekeken naar de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de mest bij excretie en bij afvoer van de mest (op basis van gehaltes volgens de vervoersbewijzen). De Commissie voor Deskundigen Meststoffen (CDM) heeft de nieuwe rekenmethode beoordeeld en wetenschappelijk juist bevonden.

Bij de nieuwe berekeningsmethode blijken de stikstofverliezen bij bijna alle mestsoorten groter dan bij de oude methode. Het verschil bij vaste mestsoorten is het grootst. Dit heeft tot gevolg dat de excretienormen gemiddeld genomen lager zijn dan de huidige normen, vooral bij stalsystemen met vaste mest.

Voor een melkkoe met een productie van 8.500 kilo melk met een ureumgehalte van 22 geldt nu een excretienorm van 119,0 kilo stikstof en 42,0 kilo fosfaat. Vanaf 2020 wordt dit 115,5 kg N en 41,7 kg P2O5. De verlaging van de excretienormen heeft tot gevolg dat melkveehouders iets meer melkvee kunnen houden binnen het aantal fosfaatrechten dat ze hebben. Op een veestapel van 140 melkkoeien scheelt het ongeveer één koe.

Lees verder onder de tabel.

In de huidige tabellen is de fosfaat- en stikstofproductie niet afhankelijk van de melkproductie bij minder dan 5.624 kilo melk en meer dan 10.624 kilo per jaar. In de nieuwe normen is productie niet meer bepalend voor de uitstoot bij minder dan 2.625 kilo per jaar en bij meer dan 14.874 kilo melk per jaar.

Uitbreiding tabel

In de huidige excretietabel gelden voor koeien die tot 5.624 kilo melk produceren dezelfde excretiecijfers. Bij hoogproductieve koeien die meer dan 10.624 kilo melk per jaar produceerden mocht gerekend worden met de norm van 10.624 kilo. Dit leidde ertoe dat sommige melkveehouders gingen sturen op hogere productie, om zoveel mogelijk melk te produceren met zo min mogelijk fosfaatrechten, omdat de extra productie boven de 10.624 kilo geen extra fosfaatruimte kost. De tabel wordt nu zowel aan de onderkant als aan de bovenkant uitgebreid, waardoor het voordeel van zeer hoge productie of het nadeel van zeer lage productie verdwijnt. Dit gebeurt op nadrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer.

Biologische sector

Voor de biologische sector zijn aparte forfaits vastgesteld. Voor runderen wijken deze niet veel af van de gangbare normen. Voor biologische melkgeiten wijken de normen wel af, omdat biologische geiten gemiddeld 100 kilo melk per jaar minder produceren dan gangbaar gehouden dieren. De verschillen tussen de gangbare en biologische sector is het grootst bij de excretienormen voor varkens en pluimvee, daar zijn de normen voor biologische dieren aanzienlijk hoger dan voor de gangbare dieren. Biologisch gehouden zeugen met biggen produceren 40% meer stikstof dan de gangbare zeugen. Dit komt vooral door de langere zoogperiode en een hoger N-gehalte in het voer. Voor biologische vleesvarkens is de norm 30% hoger dan bij gangbare dieren, mede door een hogere voederconversie. Dat werkt ook door in de benodigde mestopslagcapaciteit, die voor biologisch daardoor 25% tot 60% hoger is ingeschat dan bij gangbare bedrijven.

Procedure

Met de internetconsultatie legt het ministerie haar voorstellen nu voor aan het brede publiek. Iedereen is vrij om te reageren op de normen. Dat kan tot 14 augustus. Daarna zal het ministerie de reacties verzamelen en de voorstellen eventueel aanpassen. Doelstelling is dat de nieuwe normen in 2020 van kracht worden. De actualisatie van de excretieforfaits is veelbesproken. De normen hadden eerder aangepast kunnen worden, maar landbouwminister Carola Schouten wilde dit niet omdat ze vreesde dat er dan nog meer melkkoeien gehouden zouden worden, waardoor het risico op overschrijding van het fosfaatplafond nog groter zou worden.

Nieuwe diercategorie voor jongvee ouder dan 2 jaar

In de nieuwe mestnormen staan nieuwe diercategorieën voor rundvee. Dat is categorie 103 Vrouwelijk jongvee ouder dan 2 jaar. Verder is er nog een nieuwe categorie 121 voor overige vleeskalveren jonger dan 1 jaar.
In de toelichting wordt aangegeven dat de diercategorieën voor rundvee zijn ‘verduidelijkt’ omdat ‘bij de uitvoering van het fosfaatrechtenstelsel is gebleken dat de omschrijving van de categorieën op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd.’
Jongvee voor vleesveehouderij
Diercategorie 103 valt net als 101 en 102 uiteen in jongvee voor de melkveehouderij en jongvee voor de vleesveehouderij. Jongvee voor de vleesveehouderij valt alleen in deze categorie 103 als het gaat om jongvee ouder dan 2 jaar dat later een kalf krijgt dat is bestemd voor de vleesveehouderij of is bestemd om een kalf te krijgen voor de vleesveehouderij. Categorie 121 betreft ‘overige vleeskalveren tot 1 jaar’. Het gaat om jongvee voor de vleesveehouderij dat niet valt onder specifiek omschreven witvlees- of rosévleeskalveren en niet is bestemd om een kalf te krijgen.
Voormalige melkkoeien die worden afgemest vallen pas in categorie 120 Weide- en zoogkoeien vanaf 12 maanden na de geboorte van het laatste kalf in categorie 100 Melk- en kalfkoeien.

Medeauteur: Wim Esselink

Of registreer je om te kunnen reageren.