Home

Achtergrond 3 reacties

Via nationaal plan komt GLB bij provincies binnen

De provincies hebben een nadrukkelijke rol bij het opstellen van een nationaal strategisch plan voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2020. Statenleden kunnen daar via hun gedeputeerde invloed op uitoefenen.

De Europese gelden vanuit het landbouwbudget komen in Nederland voor een deel terecht bij de provincies. Nederland krijgt jaarlijks ongeveer € 900 miljoen vanuit de EU. Het merendeel van dat geld (ruim € 700 miljoen) komt rechtstreeks als directe inkomenssteun bij de boeren terecht. Maar provincies proberen een steeds groter deel van het geld naar zich toe te trekken. Er moet meer geld worden besteed aan klimaat, innovatie, duurzaamheid, voedselzekerheid en voedselveiligheid.

De gezamenlijke provincies hebben samen met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de taak op zich genomen om een nationaal strategisch plan te maken. In dat plan wordt een Nederlandse uitwerking geformuleerd op het gebied van onder andere milieu en klimaat.

Deel inkomenssteun overhevelen naar tweede pijler

De provincies willen graag dat een deel van het budget voor de directe inkomenssteun wordt overgeheveld naar de zogenoemde tweede pijler. De tweede pijler bevat geld dat ingezet kan worden voor de vitaliteit van het platteland, voedselveiligheid, verbetering van het concurrentievermogen, de positie van de primaire producent in de keten, het milieu en het klimaat.

Het is een breed palet aan doelstellingen waar op papier voor elke provincie wel wat wils in lijkt te zitten.

Er moet ruimte worden geboden aan boeren om met ecoregelingen ook maatschappelijke diensten te leveren

Op het bedrag van jaarlijks pakweg € 80 miljoen zal in de volgende periode van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (na 2020) worden gekort, hetgeen betekent dat de provincies en het rijk er geld bij moeten doen om dat fonds op peil te houden. Een van de mogelijkheden om het geld voor de tweede pijler overeind te houden, is het overhevelen van het boerengeld (inkomenssteun) naar de tweede pijler. Als het aan de provincies ligt, mag maximaal 30% van de inkomenssteun worden aangewend voor de realisering van met name de klimaat- en milieudoelstellingen. Daarbij moet onder andere worden gedacht aan de maatregelen die zullen worden getroffen tegen bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen in veengebieden.

Ruimte voor maatwerk moet blijven

Provincies willen niet dat het nationaal strategisch plan een ‘confectiepak’ wordt waarin geen flexibiliteit zit. “Er moet ruimte zijn voor regionaal maatwerk”, sprak het Interprovinciaal Overleg (IPO) eerder uit. “Er moet ruimte worden geboden aan boeren om met ecoregelingen ook maatschappelijke diensten te leveren”, aldus de provincies. Dat maatwerk betekent ook dat subsidies van (relatief) kleine bedragen beschikbaar moeten zijn voor kleinere bedrijven en projecten. Dat betekent dat een groot deel van het budget (volgens het IPO gemiddeld 13%) nodig is voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

De uitvoeringskosten zijn ook voor landbouwminister Carola Schouten een bron van zorg. De minister heeft dat ook in Brussel geuit. Verlaging van de regeldruk en vermindering van de administratieve lasten vinden provincies belangrijk bij de uitvoering van het nationaal strategisch plan.

Laatste reacties

  • veehouders

    Er is op dit moment voedselzekerheid, maar als ze zo doorgaan met boertje pesten kon dat wel eens veranderen.

  • koestal

    Veel geld gaat straks naar de boswachters. Natuur is blijkbaar belangrijker dan voedsel. Ze zijn de Tweede Wereldoorlog al lang vergeten.

  • koestal

    De provincies willen meer grip op het geld van GLB.

Of registreer je om te kunnen reageren.