Home

Achtergrond

‘Stilzittende boeren zijn ons grootste probleem’

Een stip aan de horizon is prima, maar het moet voor boeren behapbaar blijven, stelt CDA’er Mackus, die de Brabantse veeplannen te rigoureus vindt.

Geen Brabantse toestanden, geen staldering, geen stand still voor geitenbedrijven. Het zijn maar een paar voorbeelden van een provincie die er qua veehouderij níet met gestrekt been ingaat: Limburg. Hubert Mackus is er sinds januari dit jaar landbouwgedeputeerde. Agrarische ervaring deed hij voldoende op. In Nederweert had hij tussen 2012 en 2017 als wethouder landbouw, natuur en milieu in zijn portefeuille. Hij hield zich ook bezig met het project Buitengebied in Balans. Geen sinecure, de gemeente Nederweert heeft een hoge veedichtheid: 3,3 miljoen kippen en 225.000 varkens volgens cijfers van het CBS over 2016.

Hubert Mackus (39, CDA) is gedeputeerde van de provincie Limburg. Hij heeft onder meer landbouw, plattelandsontwikkeling en nationaal landschap in zijn portefeuille. Foto: Johannes Timmermans
Hubert Mackus (39, CDA) is gedeputeerde van de provincie Limburg. Hij heeft onder meer landbouw, plattelandsontwikkeling en nationaal landschap in zijn portefeuille. Foto: Johannes Timmermans

Nieuw Limburgs landbouwbeleid

Als provinciebestuurder gaat Mackus begin 2018 nieuw Limburgs landbouwbeleid opstellen. Boerenbond LLTB nam er – ook met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2018 – afgelopen zomer een voorschot op. Bovenop de afgesproken Limburgse ammoniakreductie tussen 2010 en 2030 voor pluimvee- en varkenshouders (85%) en veehouders die opstallen (70%), wil de LTTB ook 50% minder uitstoot van geur, fijn stof en endotoxinen.

Limburgse boeren willen zelf een extra stap zetten, ze maken het u makkelijk of niet?

Mackus: “Het is een positief signaal. We hebben de plannen ook al uitgebreid met de LTTB besproken. Nu is het zaak om dit – samen met andere belanghebbende partijen – in beleid om te zetten. Dat zal begin volgend jaar gebeuren. De reductiecijfers van de LLTB lijken in ieder geval goed te kloppen. Daar ligt het niet aan. Ik vind het wel belangrijk dat we de voortgang elk jaar scherp monitoren en de route tot 2030 helder formuleren. Maatregelen moeten voor boeren economisch te dragen zijn. Dat vraagt om visie waarin de provincie betrouwbaar moet zijn.”

‘Een maximum aantal dieren is daarbij geen doel op zich’.

Hoe duurzaam is de Limburgse veehouderij?

“We zijn er nog niet. Er zijn nieuwe aandachtspunten bijgekomen. In het verleden was ammoniakuitstoot een probleem. Die is nu fors gedaald. Maar geur en fijn stof vragen aandacht. De geuroverlast is pas licht afgenomen en de fijnstofuitstoot neemt toe. Zeker in de intensieve gemeentes Venray en Nederweert.

In ons ideaalbeeld van duurzame veehouderij willen inspelen op de trend van meer vleesconsumptie wereldwijd en tegelijkertijd minder uitstoot zien. Dat vraagt om koplopers, ultramoderne bedrijven die zich niet alleen op kennis richten. Het kunnen bedrijven zijn die de transitie maken naar plantaardige eiwitten of insecten, maar het kunnen ook grote, professionele veebedrijven zijn. Een maximum aantal dieren is daarbij geen doel op zich.”

‘Brabant grijpt hard in, maar economische schade draai je niet zomaar terug’.

In hoeverre houdt u rekening met de factor economie in die verduurzaming?

“Zeer. Voor de Limburgse veehouderij kijkt de provincie naar ammoniak, geur, fijn stof en landschappelijke inpassing. Daarin willen we ruimte maken voor koplopers. Maar het moet voor de sector behapbaar blijven. Als ik kijk naar de Brabantse veeplannen, maak ik me wel zorgen. Brabant grijpt hard in, maar economische schade draai je niet zomaar terug. In Limburg hebben we in dat kader ervaring met de sluiting van de mijnen. De effecten daarvan zie je nu nog. Het is goed om een stip aan de horizon te zetten, maar als je te snel gaat, maak je brokken. Bovendien is de Limburgse veestapel de afgelopen 20 jaar relatief gelijk gebleven. De huidige aantallen zijn technisch gezien te overzien.”

Geen Brabantse toestanden in Limburg dus, bent u niet bang dat Brabantse boeren naar Limburg komen?

“Omdat we buren zijn, kan het beleid in Noord-Brabant en Limburg niet te ver uit elkaar liggen. Wij hebben ook een streng ammoniakregime. Maar hier is het draagvlak voor de veehouderij groter. Provincie en boer staan niet tegenover elkaar. Elke Brabantse veehouder is daarom welkom in Limburg. Graag zelfs, als de Limburgse landbouw er door gemoderniseerd wordt. Máár: het moet hier wel milieuwinst geven. Brabantse boeren mogen hun mestrechten niet meenemen, ze moeten ze hier kopen.”

Het Brabantse stalderen, krijgt dat navolging in Limburg?

“Nee, dat lijkt me erg lastig om in te voeren. We willen het ook niet. Je kunt van boeren niet verwachten dat ze én rechten kopen én investeren én slopen. Onze voorwaarde is dat een bedrijf een modern bedrijf is. Met de juiste emissies. Daarbij is ‘een license to produce’ van groot belang. Het gaat niet om de slimste, volledig uitgenutte milieuvergunning. Het gaat om het draagvlak in de buurt.”

Geuroverlast van vee is in Limburg een probleem. Hoe gaat u dat aanpakken?

“Geur is in principe een zaak van gemeentes. Die zitten in de verschillende Limburgse regio’s redelijk op één lijn. We merken dat geurregelgeving in stappen strenger wordt. Zeker in de intensieve gemeentes Venray en Nederweert. Maar ook hier geldt: het doel van ‘schone stallen’ moet door veebedrijven technisch bij te benen zijn. Dat vraagt om maatwerk. Dat gebeurt nu afdoende. De provincie hoeft hier geen extra stap in te zetten.”

‘Er is lokaal maatwerk nodig’.

Maar fijn stof is wél een provinciaal probleem. En die uitstoot van veebedrijven was volgens het RIVM nergens zo hoog als in het Limburgse Nederweert.

“Ja, dat heeft absoluut onze aandacht. Het RIVM heeft goed onderzoek gedaan, maar het is naar onze zin nog niet gedetailleerd genoeg. Er is lokaal maatwerk nodig. We doen daarom zelf – via een pilot in Nederweert – onderzoek naar een rekenmethode die beter rekening houdt met de totale uitstoot van ultrafijnstof en inzicht geeft in de precieze belasting. Zo kunnen we nieuwe normoverschrijdingen voorkomen en preciezer bepalen wat nodig is om iets aan overschrijdingen te doen. Dat is belangrijk, want met de huidige EU-fijnstofnorm kan een gemeente geen veebedrijf weigeren. We onderzoeken nu of we wél kunnen afwijken en wat we wettelijk kunnen doen in een overbelast gebied. Ook doen we in Nederweert onderzoek naar endotoxines.”

Is fijn stof het grootste veehouderijprobleem in Limburg?

“Nee, de groep stilzittende veehouders is onze grootste uitdaging. In Limburg wil een derde van de veehouders investeren en een derde wil stoppen. De rest wacht af. Maar dat ‘in between’ moet eruit. Een professionele, duurzame veehouderij vraagt om heldere keuzes en meerjarenstrategieën. Of dat nu schaalvergroting, verbreding of niche is, maakt niet uit. Als er maar een keuze wordt gemaakt. Ketensterkte is in die keuze niet onbelangrijk. Kalverintegratie VanDrie Group vind ik een goed voorbeeld. VanDrie heeft zijn zaakjes qua voedselveiligheid prima voor elkaar. Als een veehouder daar rommelt, ligt die er direct uit.”

‘In Limburg zijn het de doorpakkers die ruimte krijgen om te investeren’.

De Limburgse boer die geen keuze maakt, heeft een probleem?

“Die boer willen we vooral een flinke duw in de rug geven. In onze duurzame Limburgse veehouderij willen we ruimte maken voor sectorkoplopers – 20% van het totaal – en het grootste deel van de middengroep. Maar dan moet die groep wel in beweging komen. In de praktijk zien we dat veel veehouders eerst in de stoppersregeling zaten, het goede moment afwachtten en nu opeens toch doorwillen. Ook zijn er boeren die willens en wetens uitbreiding hebben uitgesteld en nu de goeden in de wielen rijden. Die veehouders gaan we aanpakken. Bijvoorbeeld op het gebied van rechten. We bekijken of bedrijven die al jaren stilliggen nog aanspraak kunnen of mogen maken op die rechten. In Limburg zijn het de doorpakkers die ruimte krijgen om te investeren.”

In Limburg zijn veel stoppers, hoe groot is het leegstandsprobleem?

“In het Zuiden zijn het leegstaande hoeves, in het Noorden gaat het om vrijkomende agrarische gebouwen. De leegstand en verrommeling van het landschap zijn ook hier lastige opgaves. Als provincie werken we met pilots voor sloop en herbestemming. Ook is er een subsidiepot voor zonnepanelen/asbestsanering.”

‘Ik ben niet voor een stand still’.

Tot slot, in Brabant zijn geitenbedrijven op slot gezet en Gelderland volgde niet veel later. Komt er in Limburg ook een stand still?

“Nee, ik ben niet voor een stand still. Ik snap de gevoeligheden, maar zulke maatregelen moet je zorgvuldig nemen. De Limburgse realiteit is dat er in deze provincie 20 professionele geitenbedrijven zijn en dat er vier bedrijven zijn die willen omschakelen naar geiten. Dat past prima in ons huidige beleid. Ik ben ook niet bang dat Limburg plotseling door geitenbedrijven overspoeld wordt. Nieuwe bedrijven kunnen we juist makkelijker sturen en we zullen ze toetsen op zaken als ruimtelijke ordening en geur.”

Limburg is geen Noord-Brabant

Ze willen allebei minder uitstoot van ammoniak, fijn stof en geur en omdat het buren zijn, kan het landbouwbeleid niet te veel verschillen. Maar de Brabantse en Limburgse provincieaanpak verschillen als dag en nacht. In Brabant zijn de deadlines qua milieu-eisen zes jaar naar voren gehaald, zijn alle geitenbedrijven per direct op slot gezet en is staldering verplicht. In Limburg geldt dit allemaal niet.

Of registreer je om te kunnen reageren.