Home

Achtergrond

Wetenschappers: mestfraude blijft ongewis

De hamvraag over de omvang van mestfraude is nog altijd niet beantwoord. Ook tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over mestfraude, konden de vijftien insprekers geen duidelijkheid geven over de omvang van fraude.

Wetenschappers Tanja de Koeijer en Harry Luessink van Wageningen UR constateren zelfs dat er op basis van de beschikbare data niet kan worden vastgesteld óf er sprake is van fraude. Dat er een verschil is tussen de berekende meststromen en de werkelijk uitgevoerde meststromen op basis van bemonsterings- en weeggegevens, is nog geen bewijs van fraude, vinden de onderzoekers.

“Het kan wel een aanwijzing zijn van mestfraude, maar het hoeft niet. Het kan ook komen door onzekerheden in de berekeningen of in de registraties”, legt landbouweconoom De Koeijer uit. Zeker bij het bemonsteren van vaste mest zijn er grote onzekerheden, en door de toegenomen mestscheiding is het aandeel vaste mest de afgelopen jaren toegenomen. “Bij tegengesteld belang is de kans op fraude gering”, aldus Luessink. HIj wijst erop dat veehouders gebaat zijn bij hoge gehaltes en akkerbouwers bij lage. “Je komt dan uit in het midden en dat zijn de werkelijke mineralengehaltes”, aldus Luessink.

Benuttingsgraad boven de 100%

Cor van Bruggen van CBS zegt dat de benuttingsgraden van de gebruiksnormen voor dierlijke mest van boven de 100% over het algemeen worden gewijd aan onzekerheden en dalen als het gebied wordt vergroot. “Voor sommige redelijk grote veehouderijgebieden zie je dat de benuttingsgraad duidelijk boven de 100% blijft. Dat is vreemd en kun je niet helemaal verklaren uit de onzekerheden. PBL heeft hier onlangs onderzoek naar gedaan en ook als de onzekerheden worden meegerekend, blijft de benuttingsgraad boven de 100%. Daarmee zou je het vermoeden van fraude kunnen hebben”, verwoordt Van Bruggen voorzichtig. Hij benadrukt dat CBS geen onderzoek naar fraude doet, maar slechts gegevens registreert.

Of registreer je om te kunnen reageren.