Boerenleven

Achtergrond

1937: kreupel veulen was een ramp voor boer

Het veulen op de foto uit 1937 heeft een dikke hak: veulenziekte.

Op de foto uit 1937 een veulen met een dikke hak. ‘Veulenziekte met monsterachtig opgezwollen gewrichten’, staat er achterop geschreven. Meestal ging het om streptokokken. Die kwamen in een vieze omgeving via de navelstreng bij het veulen binnen en zorgden voor een gemene infectie. De paar soorten antibiotica van toen waren niet toereikend zodat veel veulens stierven of blijvende gewrichtsschade opliepen.

Boeren probeerden van alles om dat te voorkomen, ze legden gekneusde koolbladeren op de aangedane gewrichten, maar ook de wichelroedeloper werd veelvuldig ingeschakeld.
Artikel gaat verder onder de foto

Paarden waren zeker tot 1950 broodnodig voor het werk, veel boeren zorgden voor eigen aanfok. Een veulen met veulenziekte was dan ook een ramp, ze stierven of raakten blijvend kreupel. - Foto: Misset
Paarden waren zeker tot 1950 broodnodig voor het werk, veel boeren zorgden voor eigen aanfok. Een veulen met veulenziekte was dan ook een ramp, ze stierven of raakten blijvend kreupel. - Foto: Misset

Het wichelroedeprobleem

Wichelroedelopen raakte vanaf 1932 in Nederland in zwang nadat de Duitser Gustav Freiherr von Pohl er in 1920 een boek over had geschreven. Hierin noemde hij aardstralen de oorzaak van veel problemen bij mensen, dieren en zelfs planten. Al snel ontstond een nieuwe beroepsgroep: wichelroedelopers. Zij spoorden aardstralen op en bestreden deze met apparaatjes die ‘terugstraalden’.

In 1955 deed de werkgroep Landbouwkundig Onderzoek, een onderdeel van de academie van wetenschappen, onderzoek naar wat inmiddels het wichelroedeprobleem was gaan heten.

De conclusie luidde: ‘Geen der onderzoeken geeft aanwijzingen die in verband zijn te brengen met de problemen van vee en/of gewassen’.

Dit artikel is te lezen in Boerderij 35 van dinsdag 29 mei en is onderdeel van de rubriek Zo ging het toen

Of registreer je om te kunnen reageren.