Boerenleven

Achtergrond 2 reacties

‘Ploegen terwijl je de krant leest, geweldig!’

In hun jeugd was het meeste werk nog handwerk. Toen ze zelf boer werden, gingen ze specialiseren, uitbreiden en mechaniseren. Ze werden zo de grondleggers van de huidige agrarische bedrijfsvoering. Zo ook Mees Burgers.

Hij was nog geen jaar oud toen zijn ouders het Zeeuwse Tholen verruilden voor Zevenbergschenhoek (Noord-Brabant). Daar gingen ze aan de slag met 12 melkkoeien, 2 varkens en wat akkerbouw.

Mees groeide op tijdens de crisis van de jaren 30. Hij herinnert zich niet dat het gezin het zwaar had, toch moeten zijn ouders wel zorgen hebben gehad, vooral financiële. “De opbrengstprijzen waren erg laag. Moeder verkocht eieren voor 1 cent per stuk aan de bakker. Die vond dat te duur en zei: ik geef je een halve cent. Toen zei mijn moeder: dan krijg je ze niet.” Maar weigeren kon niet met alles. “Vader ging met paard en wagen naar Breda en kreeg voor een mud aardappelen 75 guldencent. Een mud was 70 kilo.”
Tekst gaat verder onder de interactieve foto. Beweeg over de iconen voor meer informatie en foto‘s.

Foto‘s: Jan Willem Schouten

Mees weet ook nog dat iemand van de overheid aardappelen kwam denatureren zoals dat heette. “Er werden gaten in geprikt zodat ze alleen nog geschikt waren als veevoer. Zo haalden ze consumptieaardappelen uit de markt waardoor de prijs nog enigszins overeind bleef. Iets dergelijks gebeurde ook met graan, dat werd rood gekleurd.”

In 1938, de crisis was achter de rug, kwam de eerste trekker. “Een Farmall-F20 die je moest starten op benzine, daarna kon je overschakelen op petroleum. Ik heb er als kind veel op gereden. Dat ging best, het was alleen lastig om de koppeling in te trappen, want ik was nog te klein. Als ik ging staan en me goed vasthield aan het stuur, dan lukte het.”

Duitsers wilden de trekker

In de Tweede Wereldoorlog was er tekort aan brandstof waardoor de trekker niet gebruikt werd. “De Duitsers wilden hem eigenlijk vorderen, maar ze wisten ook wel dat ze zonder brandstof niet ver zouden komen. Toen mochten we hem houden mits we er een gasgenerator op lieten bouwen. Dat deden we, we stookten de generator met antraciet, een soort kolen. Daar kregen we bonnen voor van de Duitsers. Natuurlijk hebben we op die kolen stiekem ook de kachel in huis gestookt.” Uiteindelijk namen de Duitsers de trekker toch mee. “We hebben er nooit meer iets van gezien of gehoord.”

De tweewegploeg was veel handiger dan de wentelploeg achter het paard, waarbij je zelf de ploeg moest omkeren.
De tweewegploeg was veel handiger dan de wentelploeg achter het paard, waarbij je zelf de ploeg moest omkeren.

Later kwam er via de Marshallhulp een nieuwe trekker, een Farmall-H. Toen Mees zijn vader vervolgens voorstelde om meteen ook meer machines aan te schaffen, werd dat afgeketst. Zijn vader was er niet happig op om machines te kopen en hield het naast de trekker bij 12 stevige werkpaarden. Verder waren er 2 knechts. “Ik heb als klein kind nog gezien dat zij het vlas met de hand uit de grond trokken. Dat was ontzettend zwaar werk, want vlas wortelt stevig en de grond was hard.”

‘Weet je hoe ze het water warm stookten? Met autobanden. Niemand dacht in die jaren aan het milieu’

Pas vele jaren later kwam er een vlastrekmachine. “Het trekken ging toen wel automatisch, maar het binden nog niet. Daar hielpen wij kinderen aan mee. De machine spreidde het getrokken vlas uit, wij pakten het bos voor bos bij elkaar. Oprollen mocht absoluut niet, je moest het stapelen. De gestapelde bossen gingen naar de warmwaterroterij in Noordhoek waar de vezels los werden geweekt. Weet je hoe ze het water warm stookten? Met autobanden. Niemand dacht in die jaren aan het milieu.”

De maaidorser was een geweldige vinding en scheelde veel arbeid. Het afzakken gebeurde nog wel handmatig.
De maaidorser was een geweldige vinding en scheelde veel arbeid. Het afzakken gebeurde nog wel handmatig.

Ook met andere klussen hielp Mees mee, zoals met het bespuiten van de aardappelen. “Ik moest met een schepemmer water uit de sloot scheppen en in een ton doen. Als de ton vol was, deed ik er kopersulfaat en sodex bij, met een stok roerde ik het door elkaar. Het was raar spul, want het water werd ineens flink koud.”

Intussen stond het paard met de spuitkar klaar. “Een getrokken spuitmachine van 6 meter breed. Vader stond bovenop, ik stond bij de ton naast de sloot en reikte hem steeds een volle emmer aan. Die kiepte hij om in de spuitmachine en gaf de lege emmer terug, net zolang tot het vat vol zat. En dan ging hij aan de slag. Het koper doodde de phytophtoraschimmel, de sodex voorkwam dat het blad verbrandde.”

Bij het hooien was Mees ook nodig. “Dat ging oude stijl bij ons. Er waren al vorkjesschudders, maar wij stonden met de hooivork het gras te keren. Dat vond ik zó stom. Maar vader wilde geen machine, die kostte te veel geld.”

Een van de werktuigen waarmee Mees vroeger werkte, was een stokkenbinder. De stokken tilden gelegerd graan op.
Een van de werktuigen waarmee Mees vroeger werkte, was een stokkenbinder. De stokken tilden gelegerd graan op.

De oorlog zette alles even helemaal stil. “Gebrek hadden we niet, je deed ook veel in het geniep. Vader gaf de machinist van de stoomtrein tarwe, hij gaf ons een oliepersje. Daarmee persten we onze eigen maanzaadolie. Dat was lekker hoor, veel lekkerder dan koolzaadolie.” Met name het laatste oorlogsjaar was heftig. “De Duitsers schoten alles kapot. Wij zaten veel in de schuilkelder. Het luik was van dikke planken, toch kwam er een granaatscherf doorheen.’

1954: ‘Alle grond had maanden onder water gestaan en was enorm zout geworden. Tonnen en tonnen gips moesten erop’

Na de oorlog stimuleerde de overheid emigratie naar onder meer Canada. Ook Mees voelde hier voor, maar zijn familie was er fel tegen. Het was een oom in Dinteloord die zei: kom maar hierheen. Hij was in de oorlog zijn hele gezin verloren, er was niemand meer om de boerderij met voornamelijk akkerbouw voort te zetten. “Ik kwam er in 1954, een jaar na de Watersnoodramp. Alle grond had maanden onder water gestaan en was enorm zout geworden. Tonnen en tonnen gips moesten erop. We reden het uit met de kunstmeststrooier.” Ondanks het gips en de vernieuwde drainage, wilde er eerst alleen maar gerst groeien. “En zelfs die werd maar 20 centimeter hoog. Wij zeiden: de mussen moeten op de knieën om erbij te kunnen.”

Gaandeweg verbeterde de bodem en was de teelt van onder meer aardappelen en ook suikerbieten weer mogelijk. “Die oogstten we in het begin met een tang. Een kopschoffel had de kop er al afgeslagen, met een tang trokken we de bieten omhoog en gooiden die op de wagen. Zwaar werk ja, maar dat gold voor alles. Ik heb nog gesjouwd met zakken kunstmest van 100 kilo.”

Rooien ging in 2 werkgangen: eerst de bieten boven de grond halen en op een rij leggen, daarna alles oprapen.
Rooien ging in 2 werkgangen: eerst de bieten boven de grond halen en op een rij leggen, daarna alles oprapen.

Zelf machines maken en aan sleutelen

In tegenstelling tot zijn vader was Mees juist wel van de machines, hij schafte ze niet alleen aan, maar maakte ze ook zelf. Kippers, transportbanden en wat niet al, smeedde hij in zijn eigen werkplaats. Hier bedacht hij ook aanpassingen en verbeteringen aan bestaande machines zoals aan de combine voor graszaad. “In de voorraadbak had het zaad de neiging te gaan bruggen, het zakte niet meer naar onderen. Af en toe stak je er vanaf de trekkerstoel een stok in en prikte het weer los, maar toen de combine een cabine kreeg, kon je er niet meer bij. Toen bedacht ik een systeem met 2 kettingen die de klont lostrokken. Het idee is later door sommige fabrikanten overgenomen.”


  • Mees sleutelde veel handigheidjes zelf in elkaar, zoals deze stortbak boven op de trekker.

    Mees sleutelde veel handigheidjes zelf in elkaar, zoals deze stortbak boven op de trekker.

  • De maaidorser voor graszaad die Mees voorzag van kettingen tegen verstopping. De machine is er nog altijd.

    De maaidorser voor graszaad die Mees voorzag van kettingen tegen verstopping. De machine is er nog altijd.

Mees begon in Dinteloord met 60 hectare en breidde nooit uit. “Ik dacht: je kunt wel 100 hectare hebben, maar hoe moet dat dan als één kind het bedrijf overneemt?” Dat ene kind staat sinds 20 jaar aan het roer. Aan de opzet veranderde niet veel, ook de samenwerking met de buurman bleef, die duurt nu al 50 jaar. Wel ging de opvolger mee met de tijd. “Samen met de buurman heeft hij verschillende trekkers met gps. Hij ploegt kaarsrecht, terwijl hij de krant zit te lezen, het is geweldig.”

Het bedrijf in Dinteloord. Mees hield alles up-to-date, maar breidde niet uit om de bedrijfsovername niet te bemoeilijken.
Het bedrijf in Dinteloord. Mees hield alles up-to-date, maar breidde niet uit om de bedrijfsovername niet te bemoeilijken.

Dit artikel is onderdeel van de rubriek Grondleggers. Meedoen aan deze rubriek? Mail naar margreet.welink@proagrica.com

Laatste reacties

  • mtseshuis

    Geweldig verhaal

  • Koen123

    Mooi artikel,verhaal verteld bijna de hele geschiedenis van het bestaan van het boer zijn ,en dat uit de mond van 1 persoon .
    Bijzonder verhaal van een bijzonder persoon,nog vele jaren in gezondheid gewenst

Of registreer je om te kunnen reageren.