‘Neonicotinoïden te complex voor snelle conclusies’

Onderzoek naar de honingdauwroute van neonicotinoïden is niet direct te vertalen naar de akkerbouwpraktijk. De complexiteit onderstreept de noodzaak voor een goede en onafhankelijke risico-beoordeling, stelt Terry van Loon, crop manager bij ADAMA Northern Europe

Neonicotinoïden zijn insecticiden. Ze doden insecten die de opbrengst en kwaliteit van landbouwgewassen bedreigen. Dat is de bedoeling. Zeker als virussen een probleem zijn, geldt eigenlijk een nultolerantie voor luizen, omdat 1 luis voldoende kan zijn voor virusoverdracht.

Neonics hebben vanaf het begin te maken gehad met strenge toepassingseisen in de toelating. Terecht, want naast de te bestrijden ‘ongewenste’ insecten zijn er ook nuttige, die juist gespaard moeten blijven. Die nuttige zijn van belang in teelten met minder virusrisico waar nu volop geëxperimenteerd wordt om met minder chemie-inzet ‘ongewenste’ insecten te bestrijden.

Recent onderzoek van onder meer Wageningen UR toont aan dat honingdauw een nieuwe route is waarop nuttigen aan neonics blootgesteld zouden kunnen worden. Honingdauw is een soort nectarachtige afscheiding van luizen, wat weer als voedsel kan dienen voor nuttige insecten.

Moeilijk te bestrijden

Het resultaat is in eerste aanblik opmerkelijk, want de ‘ongewenste’ luizen gaan in de proeven niet dood van de neonics-behandeling, maar de nuttige die leven van de honingdauw wel. Bovendien zijn de proeven gedaan in citrusbomen met wolluizen die onbeperkt (en louter) honingdauw gevoerd kregen. Dit type luis is ‘berucht’ omdat hij moeilijk te bestrijden is, ook met neonicotinoïden. Als je het honingdauweffect op nuttige wilt laten zien is dit in een proef een logische keus, maar sluit het niet aan bij onze akkerbouwpraktijk.

Bij een geslaagde behandeling met neonics (tegen groene perzikbladluizen die wel goed te bestrijden zijn met neonics) komt de situatie in de proeven helemaal niet voor. Als er geen ‘ongewenste’ insecten zijn, dan vliegen de nuttigen verder om ergens anders honingdauw of ander voedsel te vinden.

Verder tonen deze proeven een duidelijk verschil tussen de 2 geteste neonicotinoïden. Thiametoxam was in deze proeven schadelijker dan imidacloprid, die in de ‘bodembehandeling’ even schadelijk was voor nuttigen als water. Ofwel: op basis hiervan kun je niet voor alle gewassen en alle luizen conclusies trekken over de schadelijkheid van alle neonics. De Wageningen UR-professor deed dat overigens ook niet, in sommige (sociale) media gebeurde dat wel.

Complexiteit neonicotinoïden

De complexiteit onderstreept alleen maar de noodzaak voor een gedegen en onafhankelijke risico-beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen zoals die nu door Efsa en Ctgb gebeurt. Of het nu om ‘groene’ middelen of neonics gaat. En een risico beoordeel je als: gevaar x blootstelling. Als blootstelling (ook van nuttigen) heel laag is, is het risico beperkt. Het is goed dat er continu onderzoek wordt gedaan naar nieuwe inzichten voor een goede risicobeoordeling van middelen, maar ze moeten wel relevant zijn voor de toepassingen waar het over gaat.

Iedereen is gebaat bij een goed en veilig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en een solide beoordeling ervan. Zonder de politieke waan van de dag. EU-commissaris Hogan zei bijvoorbeeld laatst dat ‘achteraf gezien de neonics-coating voor suikerbieten wel had mogen blijven’.

Soms is een neonicotinoïde (zaadbehandeling) de groenste oplossing

Tja… dat neonicotinoïden nu verboden zijn voor zaaizaad-/plantgoedbehandeling betekent dat netto meer actieve stof op een per definitie minder veilige manier wordt toegediend. Ik heb nooit begrepen waarom NGO’s die voor een neonic-verbod waren, dit als overwinning gevierd hebben.

De ‘vergroening’ van gewasbeschermingsmiddelen zet door, constateerde het Ctgb onlangs. Een goede zaak, maar dit kost tijd. De sector moet die tijd wel krijgen. En soms kan een neonicotinoïde (zaadbehandeling) weleens de groenste oplossing zijn. Daar zou ook ruimte voor moeten zijn en blijven.

Of registreer je om te kunnen reageren.