Middelen werken niet meer of mogen niet meer, de biodiversiteit loopt terug, de bodem raakt verdicht. WUR-onderzoeker Dirk van Apeldoorn werkt aan de oplossing: strokenteelt.
Strokenteelt krijgt zachtjesaan voet aan de grond in de Nederlandse akkerbouw. Wageningen University & Research experimenteert er al een aantal jaren mee op de Broekemahoeve in Lelystad en ook praktijkbedrijven schakelen over naar het systeem.
Absolute pioniersfase voorbij
Dirk van Apeldoorn is vanuit Wageningen UR betrokken bij de strokenteelt. Ondanks dat nog veel wordt onderzocht en geëxperimenteerd, vindt hij dat het systeem de absolute pioniersfase wel voorbij is. Volgens Van Apeldoorn kan strokenteelt het antwoord zijn op verschillende problemen waarmee de akkerbouw kampt.
Dirk van Apeldoorn is onderzoeker bij Wageningen University & Research en betrokken bij de ontwikkeling van het teeltconcept strokenteelt. - Foto: Henk Riswick
“Het is een alternatieve weg die leidt tot goede opbrengsten en waardering vanuit de maatschappij. 40% van de ondergrond in Nederland is verdicht, we hebben te maken met droogte en het uitsterven van akkervogels. Nog intensiever boeren gaat ten koste van de bodem en daarmee van de toekomst. Met strokenteelt sla je een andere weg in. Een weg die meer biodiversiteit laat zien op de akker en die goede resultaten met plaag- en ziektebestrijding laat zien met minder gewasbeschermingsmiddel. Doordat het aantal insecten op de akker toeneemt, neemt ook de vogelstand toe.”
‘Niet neutraal, wel objectief toetsbaar’
Behalve dat hij als onderzoeker nauw betrokken is bij het teeltconcept strokenteelt, toont Dirk van Apeldoorn zich bij verschillende gelegenheden ook pleitbezorger van het systeem. Vraag is in hoeverre die gepassioneerdheid voor strokenteelt hem een objectieve kijk als onderzoeker in de weg staat. “Ja”, zegt Van Apeldoorn “Ik ben een gepassioneerde wetenschapper. Ik zie strokenteelt als éen van de mogelijke antwoorden is op huidige uitdagingen van de akkerbouw. Bij mij is de vraagstelling niet neutraal; ik ga er van uit dat verandering nodig is. Maar methode en analyse gebeuren strikt objectief. Uiteindelijk communiceer je dan vooral dingen die opvallen, wat natuurlijk weer niet neutraal is, maar wel toetsbaar.”
Wat is een strook?
“Een strook is een zo smal mogelijke strook gewas die je als zodanig nog kunt managen. Op plaatsen in China waar geen of alleen kleine machines zijn, is een strook 1 meter breed. Voor Nederland is 3 meter een soort ondergrens, al is er een bioteler die op anderhalve meter zit. Heeft ook te maken met de mechanisatie. Bij 3 meter zet je machines op spoorbreedte 3,15 meter, altijd vaste paden. Aardappelen telen kan op 3 meter brede stroken, suikerbieten ook. Afvoer product doe je dan via bunker of kipper op de strook ernaast. Uien op 4,5 meter, 3 x 1,5, dat is lastig. Dan naar 9 meter? Dat wordt te breed. Dan moet je gaan denken over ander uiensysteem. In Lelystad kijken we naar 3,15 meter. Op landbouwbedrijf Erf in Zeewolde proberen we 6 meter uit. Uien worden vrij vroeg gerooid, vaak heb je dan nog geen rijstrook voor de kipper, tenzij er graan naast staat. Maar zeker, uien inpassen in strokenteelt is wel een uitdaging.”
Strokenteelt op WUR-proefperceel in Lelystad, suikerbieten en gerst wisselen elkaar af. Strokenteelt vergroot de biodiversiteit, als gevolg waarvan plagen ook door naruurlijke vijanden zullen worden aangepakt. Dan zijn minder chemische middelen nodig.
“Het is een systeem in ontwikkeling, allerlei afwegingen moeten worden gemaakt. Ga je wel of niet met een kipper over een naastliggende graanstrook. Nadeel is dat je dan weer over een goede stoppel moet rijden, Dan lever je weer wat in op een goed systeem. Misschien kun je ook het vaste rijpad van de stoppelstrook gebruiken. Dit jaar gaan we in Lelystad aardappelen en suikerbieten naast graan leggen. Voor spuiten, maar ook voor productafvoer. Dat gaat dan tot maximaal 6 à 8 meter breed.
De vraag is wat je wil: constant op één plek een hoog niveau van bodemdruk of steeds wisselende belasting tot aan stuk rijden toe. Ik zou zeggen: kies voor het eerste, maar als je uit het tweede een beter inkomen haalt, dan kies je daarvoor. Bij strokenteelt kan een naastgelegen strook ook voor bemesting worden gebruikt. Grasklaver die daar groeit kan meteen op de naastliggende strook worden gebracht. Dan deel je het effect van de groenbemester. Het ondergrondse deel blijft zitten waar het groeide, het bovengrondse deel op de strook ernaast. Grasklaver maaien en direct afboeren naar de strook ernaast. We zijn nog aan het uitzoeken hoe dat precies moet.”
Is in het kleinschalige Nederland niet sowieso al sprake is van strokenteelt?
“Was het maar zo. Voor verspreiding van nuttige insecten zijn Nederlandse percelen echt te groot. Dat is nadelig voor de verspreiding van nuttige insecten. Na 100 meter is een zweefvlieg uitgeput. Een perceel van 20 hectare, daar komt een zweefvlieg niet in het midden. Daar moet dan dus de boer met de spuit het werk overnemen. Zweefvliegen, loopkevers, maar ook een uitbreiding van phytophthorabesmetting stopt waar de aardappelen aan de zijkant van de strook ophouden.”
Het probleem is dat het aantal beschikbare middelen onder druk staat; ze werken niet meer of ze mogen niet meer
“Je hoeft geen hogere wiskunde gehad te hebben om dat te snappen. Andersom, als je altijd spuit, hoeft de natuur het werk niet te doen. Maar het probleem is dat het aantal beschikbare middelen onder druk staat; ze werken niet meer of ze mogen niet meer.”
Hoe breed kan een strook maximaal zijn om nog van strokenteelt te spreken?
“Peter Harry Mulder, teler van zetmeelaardappelen heeft stroken van 27 meter, de breedte van zijn spuitboom. Ik vraag me dan af: gaat dat nog wel werken? Hij zegt dat die stroken een goed effect hebben op het aantal patrijzen en zangvogels. Hij maakt zich als akkerbouwer druk over de teruglopende vogelstand. Een vogel heeft natuurlijk een andere actieradius dan een zweefvlieg of een loopkever. Hoe dan ook, hij ziet direct resultaat van zijn stroken en dat geeft hem plezier.
Dat is wat ik vaker hoor van mensen die met strokenteelt aan de gang gaan. Ze worden weer aangesproken op hun vakmanschap, het geeft hen voldoening, zeggen ze. Voor anderen is het alleen maar een ramp.
Die 27 meter is misschien aan de brede kant, maar zulke stroken zijn al beter beter dan een perceel van 20 hectare met één gewas. Op het landbouwbedrijf Erf testen we op een perceel van 42 hectare het verschil tussen stroken van 6, 12, 24 en 48 meter breed. We hebben al veel gemeten. In de 6-meter stroken zie je twee keer zoveel loopkevers als in de stroken van 48 meter. Loopkevers zijn de stofzuigers van de akkerbouw, ze eten slakkeneitjes, larves van de koolvlieg, de eerste luizen. Deze kevers heb je als boer graag, terwijl hun aantal juist terugloopt.”
Hoe smaller de stroken, hoe beter de ecologie
“Behalve dat bij de 6-meter stroken je meer kevers hebt, is de populatie ook stabieler in de tijd. Op grote percelen gaan er kennelijk veel weg of dood na de oogst. We zien ook een verschil tussen dag en nacht. ’s Nachts trekken de kevers zich terug in een andere strook? Samengevat kun je zeggen: Hoe smaller de stroken hoe meer insecten, hoe meer soorten, stabielere populaties, het komt dichter bij een natuurlijk ecosysteem. Hoe smaller de stroken, hoe beter de ecologie.”
En hoe breder daartegenover, hoe efficiënter en goedkoper de bewerkingen en de oogst.
“Dat is niet altijd waar waar. Kleinere machines zijn lichter en daardoor goedkoper dan grote. Bij bredere machines maakt de zwaardere constructie de machine vaak duurder. Een verdubbeling van de werkbreedte van een eg maakt hem meer dan twee keer zo duur. Bij een heel brede spuit is al vrij veel techniek nodig om hem stevig en in balans te houden.
De man op de machine is het duurst. Dat pleit voor breed en veel capaciteit per man.
“Dat argument vervalt als je gaat praten over autonoom werkende machines, robots. Als de factor mens wegvalt, kan het ook met kleine machines. Ontwikkeling van de landbouw is het resultaat door de omstandigheden en wensen die er waren. Lang ging het over zoveel mogelijk productie, schaalvergroting, hoge efficiëntie. Er waren genoeg chemische middelen voorhanden. Anno 2020 hoeft het niet per se meer te gaan om de hoogste opbrengst. Willen we nog steeds grotere bedrijven? Het landschap wordt belangrijker, er is zorg om de biodiversiteit. Het aantal akkervogels gaat omlaag met het dalen van het aantal boeren. Dat is verschrikkelijk, je houdt niks over. Telers die overstappen naar bijvoorbeeld strokenteelt of biologisch zien dat het huidige landbouwsysteem zo niet volhoudbaar is.”
Sowieso betekent klimaatverandering minder specialiseren, minder kwetsbaar worden
“Ook de Nederlandse samenleving identificeert zich met een landbouw waarin de boer boer kan zijn. En waar ook ruimte is voor de omgeving, voor biodiversiteit. Sowieso betekent klimaatverandering minder specialiseren, minder kwetsbaar worden.”
Hoe zit het met het verdienmodel?
“Voor wat betreft het verdienmodel is er geen verschil met gangbare grotere percelen. Je krijgt iets meer opbrengst. Daartegenover staan iets hogere kosten door langere aanrijtijden, maar dat is ook afhankelijk van de verkaveling van een bedrijf. Het maakt veel uit of je één grote huiskavel hebt of verspreid liggende percelen.
Qua verdiensten kun je bij omschakeling ook denken aan een transitievergoeding, compensatie voor de aanvangskosten, zeg maar een soort lesgeld. Meer structureel is een vergoeding voor biodiversiteit en leefomgeving denkbaar. Je produceert immers meer meer dan alleen kilo’s product. Vergoeding kan komen vanuit de EU, maar je kunt ook meerwaarde creëren door afzet te zoeken waar je teeltwijze wordt vergoed. Dus niet meer je graan bij de coöperatie bij de bulk gooien en concurreren met graan uit de Oekraïne. Ook dat is iets wat zich moet ontwikkelen.
Qua extra opbrengsten is er ook nog wel wat te halen. Gewassen zijn en worden veredeld voor gebruik in monoculturen. Dat zijn niet per se de beste voor meng- of strokenteelt. Dus wordt er door veredelaars gekeken naar wat goede rassen zouden kunnen zijn voor meng- of strokenteelt. Misschien gaan we straks aan de zijkant van de strook wat anders zaaien dan in het midden. Bij veredelingsbedrijven worden op dit vlak stappen gezet.”
Het idee van strokenteelt roept bij akkerbouwers nogal wat irritatie op. Onpraktisch, terug naar een systeem van ver voor de ruilverkaveling. Gehobby van ‘linkse onderzoekers uit dat gehersenspoelde linkse bolwerk Wageningen’.
“Wij zien die reacties ook. We zien haast alleen maar weerstand onder ieder artikel dat erover verschijnt. Je vraagt je af of het alleen tegen de strokenteelt is. Het is heel groot en veel wat in de landbouw verandert, het is niet alleen de strokenteelt. Maar waarom je hakken in het zand te zetten? Je hoeft als je je perceel anders indeelt, niet gelijk je hele wereldbeeld aan te passen. Het hoeft niet allemaal tegelijk.”
Lastig ploegen
Van Apeldoorn zegt ook wel te snappen dat strokenteelt een groep boeren verwart. Ploegen in strokenteelt is lastig. Dan kijk je naar niet-kerende-grondbewerking, maar hoe pak je het aan als er straks geen glyfosaat meer is om onkruid te bestrijden. “Dat is een verstoring voor die generatie boeren die uit angst voor uitbreiding, ingepeperd hebben gekregen dat het laatste onkruidje weg moet. Maar niet alle onkruid is zo verschrikkelijk. Ik heb biologische tarwe gezien die 8 ton per hectare opbracht en waarin ook zeldzame onkruiden stonden. Bedenk ook dat de huidige onkruiden niet meer dezelfde zijn als ze ooit waren. Door de jarenlange praktijk zijn ze geselecteerd op concurrentiekracht en en resistentie door veel spuiten. Niet alle onkruiden zijn schadelijk. Sommige leveren nectar, waarmee ook natuurlijke vijanden zich voeden. De landbouw moet opnieuw inijken op wat aan onkruiden kan blijven staan.”
Ondertussen is strokenteelt volgens het ministerie van Landbouw een optie voor de toekomst. Ook de Rabobank ziet de focus op kleine voertuigjes, mengteelten, minder pesticiden et cetera wel zitten. Men is bang het systeem straks opgedrongen te krijgen.
“Strokenteelt is altijd nog een gangbare landbouw, alleen dan op stroken, met in principe het bestaande machinepark. De mogelijkheden houden bij strokenteelt niet op. Het is een transitietechnologie, een tussenfase. Het einddoel is nog veel diverser, op plantniveau mengen, plots van 50 x 50 centimeter. Daar liggen proeven van. Minimale inputs aan kunstmest en chemische middelen, hoogste opbrengsten. Met nog verdere verfijning is meer winst te behalen.”