Akkerbouw

Achtergrond

Aardappelsector houdt Q-ziekten beheersbaar

Quarantaineziekten zijn gevaarlijk voor de aardappelsector. In Nederland vormen ze geen groot probleem. Maar de aardappeltelers moeten alert blijven.

De aardappelsector kan de quarantaineziekten goed beheersbaar houden. Dat blijkt uit een inventarisatie door Boerderij van gegevens van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en keuringsdienst NAK. Dat is bijvoorbeeld het geval bij aardappelmoeheid (AM). Het areaal dat besmet blijkt met AM bleef jarenlang redelijk stabiel en daalt de laatste jaren. AM wordt veroorzaakt door de aaltjes Globodera pallida en Globodera rostochiensis. In seizoen 2018-2019 is 1.368 hectare officieel besmet verklaard met aardappelmoeheid. Dat was het kleinste areaal in 8 jaar.

Lees verder onder de grafiek.

In 2018-2019 is 1.368 hectare besmet verklaard met aardappelmoeheid. Dat was het kleinste areaal in 8 jaar. De gegevens van 2019-2020 zijn nog niet bekend.

Grondontsmetting

De gegevens van 2019-2020 zijn nog niet bekend. Wel is duidelijk dat in 2019 op 734 percelen een bestrijding van AM heeft plaats gevonden. Dat is het kleinste aantal percelen in 9 jaar. Een erkende bestrijding is het telen van een AM-resistent ras (715 percelen), inundatie (onder water zetten: 10 percelen), het telen van een lokgewas aardappelen (8 percelen) of het uitvoeren van een grondontsmetting (1 perceel). Deze aanpak van aardappelmoeheid houdt de aaltjesdruk blijkbaar goed beheersbaar.

Lokgewas

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de fytosanitaire autoriteit, overweegt de AM-bestrijding met een lokgewas ook in de herfst te erkennen als bestrijdingsmaatregel, zegt sectormedewerker Mario van Sabben. “Een lokgewas (of vanggewas) aardappelen wordt nu in het voorjaar gepoot. Uiterlijk na 40 dagen moet het gewas vernietigd worden. De aaltjes zijn dan uit de cyste gelokt en sterven door gebrek aan voedsel. Wageningen UR heeft op verzoek van de NVWA onderzoek gedaan naar de lokking later in het seizoen. De resultaten duiden op een goede bestrijding van AM bij poten in de eerste drie weken van juli. Dan kan een akkerbouwer eerst nog een gewas telen dat vroeg wordt geoogst, bijvoorbeeld wintergerst.”

Lees verder onder de foto.

Een medewerker van IsaCert NAK Agro neemt een grondmonster voor onderzoek op de Meloïdogyne-aaltjes chitwoodi en fallax. Vorig jaar is op 77 percelen een besmetting geconstateerd, het grootste aantal ooit. - Foto: Diederik van der Laan
Een medewerker van IsaCert NAK Agro neemt een grondmonster voor onderzoek op de Meloïdogyne-aaltjes chitwoodi en fallax. Vorig jaar is op 77 percelen een besmetting geconstateerd, het grootste aantal ooit. - Foto: Diederik van der Laan

Virulente AM-aaltjes

Ook al is AM beheersbaar, er zijn wel zorgen over de virulentere aaltjes die een aantal jaren geleden zijn gevonden in het Noordoosten van Nederland waar zetmeelaardappelen worden geteeld. Virulente aaltjes blijken zich te vermeerderen op een perceel, ondanks dat daar een resistent ras wordt geteeld. Dit wordt uitselectie genoemd: na verloop van jaren ontstaat langzamerhand een populatie aaltjes die steeds minder reageren op de resistentie van de aardappelplant. In eerste instantie werd alleen virulente G. pallida gevonden, maar inmiddels zijn ook G. rostochiensis populaties gevonden die zich afwijkend gedragen ten opzichte van de in Nederland bekende populaties.

Bestrijding van aardappelopslag is belangrijk

Uitvoeren rassenkeuzetoets

De virulente aaltjes zijn nog niet buiten het zetmeelaardappelgebied in Noordoost-Nederland gevonden, zegt Bert Waterink, sectormanager Akkerbouw bij de NVWA. “Het is echter een kwestie van tijd dat we die ook buiten deze regio zullen aantreffen.”

Waterink raadt aardappeltelers aan hun percelen te bemonsteren. “Laat op een verdacht perceel een rassenkeuzetoets uitvoeren. Die bepaalt welke rassen je het beste kunt telen. Vermijd zo’n perceel als er geen geschikt ras is. Teel ATR- en TBM-pootgoed bij voorkeur op percelen die vrij zijn. Verder is het raadzaam dat telers hygiënisch werken om versleping van besmette grond naar andere percelen te voorkomen. En de bestrijding van aardappelopslag is ook erg belangrijk.”

De Brancheorganisatie Akkerbouw voert een plan van aanpak uit om aardappelmoeheid beter te beheersen. Binnen het project Pallifit wordt gekeken of het classificatiesysteem voor AM-resistente rassen moet worden aangepast nu er virulentere aaltjes zijn.

Meloïdogyne-aaltjes

De NVWA heeft het beleid voor de Meloïdogyne-aaltjes (M. chitwoodi en M. fallax) in mei 2019 gewijzigd. Daarom is een vergelijking met het verleden moeilijk te maken. Duidelijk is wel dat de Meloïdogyne-aaltjes volop de aandacht blijven vragen van de pootgoedsector. In 2019 zijn 77 besmette percelen getraceerd onder het nieuwe beleid, volgens voorlopige cijfers van de keuringsdienst NAK. Onder het oude beleid is dat aantal niet eerder gehaald.

Lees verder onder de grafiek.

In 2019 zijn 77 percelen getraceerd die zijn besmet met de Meloïdogyne-aaltjes chitwoodi of fallax. Het aantal besmette percelen was niet eerder zo hoog.

Meloïdogyne-cirkels

De NVWA trekt ook in het nieuwe beleid een straal van 1 kilometer rondom een perceel waar pootgoed is geteeld dat besmet blijkt met het aaltje. Dit zijn de aangewezen gebieden, ook wel chitwoodi- of Meloïdogyne-cirkels genoemd. Alle pootgoed dat in het volgende jaar binnen zo’n cirkel wordt geteeld, wordt getoetst op Meloïdogyne-aaltjes. In het oude beleid moest dat ieder jaar opnieuw. Vanaf 2019 geldt de onderzoeksplicht slechts 1 jaar. Daarna geldt die plicht alleen voor het besmette perceel. Als op dat perceel 2 keer pootaardappelen zijn geteeld en beide keren is het vrij bevonden van Meloïdogyne, dan vervalt de besmette status van het perceel. Bij een 1-op-3 teelt van pootgoed vervalt die status dus op zijn vroegst na 6 jaar.

Kwaliteit pootgoed

Om te voorkomen dat de Meloïdogyne-aaltjes zich ongemerkt verspreiden en om de kwaliteit van het Nederlandse pootgoed te borgen, test de NVWA in het nieuwe beleid meer partijen pootaardappelen buiten de besmette percelen en cirkels. Tot 2019 vielen 210 partijen in dit onderzoek. Dat is uitgebreid naar ruim 1.420 partijen. Volgens de NVWA wordt zo gemiddeld 1 pootgoedpartij per pootgoedteler per jaar getoetst op de beide Meloïdogyne-aaltjes.

Lees verder onder de foto.

De Globodera rostochiensis-aaltjes zitten op de wortels van een aardappelplant. De vrouwtjes zijn geel van kleur. - Foto: HLB
De Globodera rostochiensis-aaltjes zitten op de wortels van een aardappelplant. De vrouwtjes zijn geel van kleur. - Foto: HLB

Draagvlak

Het beleid is gewijzigd om meer draagvlak te creëren onder de pootgoedtelers voor het Meloïdogyne-beleid, zegt Waterink. “In het oude beleid moesten de pootgoedtelers binnen de aangewezen gebieden alle pootgoed blijven testen. Dat betekent dat ze pas na de oogst zeker wisten of ze hun pootaardappelen als uitgangsmateriaal konden verkopen. Dan hadden ze alle kosten al gemaakt. Nu geldt die verplichting voor 1 jaar. We testen nu wel veel meer pootaardappelen buiten de aangewezen gebieden op de Meloïdogyne-aaltjes chitwoodi en fallax. Dat zorgt er voor dat telers buiten de aangewezen gebieden zich bewuster worden van het gevaar van deze aaltjes.”

Volgens Waterink voldoet het nieuwe beleid aan de eisen die Brussel stelt. “Het onderzoek biedt voldoende garantie voor het plantenpaspoort dat het pootgoed vrij is van deze aaltjes.”

Europese verordening Plantgezondheid

Op 14 december 2019 werd de nieuwe Europese verordening Plantgezondheid van kracht. In die verordening zijn de Meloïdogyne-aaltjes een Q-organisme gebleven. Dit betekent onder meer dat alle lidstaten verplichte surveys moeten uitvoeren naar deze aaltjes op hun grondgebied. Daarnaast heeft de Europese Commissie bepaald, op aandringen van Nederland, dat de eisen die al golden onder de voorgaande regelgeving voorlopig voldoen voor het interne verkeer van aardappelen binnen de EU. Brussel buigt zich pas over een mogelijke aanpassing van de EU-eisen voor de Meloïdogyne-aaltjes, als de gegevens van de surveys door de lidstaten bekend zijn en de Europese voedselautoriteit EFSA daar een analyse van heeft gemaakt.

De Brancheorganisatie Akkerbouw heeft, net als bij aardappelmoeheid, ook voor de Meloïdogyne-aaltjes een plan van aanpak opgesteld. Uit onderzoek is inmiddels duidelijk geworden dat inundatie zeer effectief werkt tegen vrijwel alle aaltjes, ook tegen de Meloïdogyne-aaltjes.

Lees verder onder de grafiek.

In 2019-2020 waren er 2 besmettingen met bruinrot. In 2018-2019 waren dat er 4, waarvan 2 bij consumptieaardappelen, die waren beregend met oppervlaktewater.

Bruinrot

Nederland kende de laatste 3 jaar een paar besmettingen met bruinrot. In 2019-2020 waren er tot nu toe 2 besmettingen. In 2018-2019 waren dat er 4: 2 bij pootgoed en 2 bij consumptieaardappelen. Bij de consumptieaardappelen waren beide percelen beregend met oppervlaktewater, zegt Van Sabben. “In 2018 en in 2019 is vanwege de droogte veel beregend. We constateren dat alleen het beregenen met besmet oppervlaktewater al kan leiden tot een vaststelling van bruinrot in de aardappelen na de oogst. De NVWA heeft vastgesteld dat sommige pootaardappeltelers onaanvaardbare risico’s nemen door consumptieaardappelen te beregenen met oppervlaktewater. Die aardappelen telen zij als bestrijdingsmaatregel tegen aardappelmoeheid. De teelt vindt vaak plaats op percelen waar ook pootaardappelen staan. Het risico van besmetting door overwaaiend water is groot. De NVWA gaat bij constatering van zo’n situatie over tot het aanwijzen als risicobedrijf voor bruinrot. Dat betekent dat alle pootaardappelen gedurende 3 jaar op kosten van de teler aan een verscherpt bruinrotonderzoek worden onderworpen.”

Beregenen met oppervlaktewater

De NVWA maakt ieder jaar een kaart van Nederland met daarop de gebieden waar binnen consumptie- en zetmeelaardappelen niet met oppervlaktewater beregend mogen worden, omdat het water besmet kan zijn met de bruinrotbacterie. Pootaardappelen mogen nergens in Nederland met oppervlaktewater worden beregend. Van Sabben: “We moeten de kaart voor 2020 nog precies vaststellen, maar de verbodsgebieden worden de laatste jaren kleiner. Sinds 2016 doen wij onderzoek naar de aanwezigheid van de bacterie binnen de gebieden en dat leidt tot opheffing van gebieden. Vondsten kunnen echter leiden tot nieuwe of uitbreiding van deze gebieden.”

Lees verder onder de grafiek.

Nederland was in 2019 vrij van ringrot, voor het zesde jaar op rij. In 2013 waren er 3 vondsten. Vóór 2013 was dat veel meer, met als top 16 uitbraken in 2011.

Ringrot, PSTVd en wratziekte

Nederland was in 2019 opnieuw vrij van ringrot, voor het zesde jaar op rij. In 2013 waren er 3 uitbraken. Vóór 2013 was er een hausse aan uitbraken. Daarom stelde de aardappelsector in 2012 het Hygiëneprotocol Ringrot op, met richtlijnen om het risico op besmetting te verkleinen. Dat blijkt effectief, de ringrotbacterie is al 6 jaar niet meer gevonden.

Ook het PSTVd-virus blijft een belangrijk risico voor de aardappelsector, al is de status in de nieuwe EU-verordening aangepast van Q-organisme naar RNQP (Regulated Non-Quarantaine Pest). Daardoor gelden de eisen voor PSTVd alleen voor uitgangsmateriaal. In 2016 werd PSTVd aangetroffen in kweekmateriaal, maar dat had verder geen gevolgen voor de aardappelsector als geheel. Sindsdien is PSTVd niet meer gevonden.

De NVWA beoordeelt zetmeelaardappelen op wratziekte. Er zijn geen knollen met afwijkingen gevonden. Wratziekte is voor het laatst in 2015 aangetroffen.

Dus al met al kan worden geconcludeerd dat de aardappelsector de quarantaineziekten goed beheersbaar kan houden. Maar waakzaamheid blijft geboden.

Nieuwe risico’s voor aardappelsector

De Nederlandse aardappelsector heeft niet alleen te maken met bekende quarantaineziekten. De NVWA waarschuwt dat nieuwe bedreigingen op de loer liggen.
Dat betreft bijvoorbeeld Epitrix spp. (aardappelkever). Bert Waterink, sectormanager Akkerbouw bij de NVWA: “Die is tot nu toe binnen de EU alleen aangetroffen in Spanje en Portugal. Buiten die regio’s is de kever nog niet gevonden.”
Ook de rupsen van de Tecia solanivora (aardappelmot) kunnen enorme schade veroorzaken in aardappelen. Dit organisme is tot nu toe in Europa alleen aangetroffen op de Canarische Eilanden en in Noord-Spanje. Ook zebrachip is een grote bedreiging voor de aardappelteelt. De aardappelziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Candidatus Liberibacter solanacearum, die zich verspreidt via een bladvlo (Bactericera cockerelli). De bacterie zorgt voor grote schade in aardappelen in Midden-Amerika, de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland. De bacterie komt voor in diverse landen in Europa en veroorzaakt schade in andere gewassen, zoals peen en selderij. Maar de bladvlo is hier niet.
Waterink: “Zolang de bladvlo zich hier niet vestigt, vormt de bacterie geen probleem voor de aardappelteelt.”
De bedreigingen epitrix, tecia en zebrachip zijn tot nu toe niet gevonden. Maar de NVWA verwijst naar het warmer worden van het klimaat. Daardoor is er minder vorst in de winter. Dat vergroot de kans dat deze zeer schadelijke organismen zich noordwaarts verspreiden in Europa. Waakzaamheid blijft geboden, is het advies van de fytosanitaire autoriteit.

Of registreer je om te kunnen reageren.