Akkerbouw

Achtergrond

Avebe: multinational werd regiokampioen

Dit jaar viert zetmeelcoöperatie Avebe haar eeuwfeest. De nieuwe campagne is net gestart, mooi moment om de historie en het belang van dit bijzondere bedrijf voor akkerbouwers en de Veenkoloniën te duiden.

Eigenlijk had Avebe al lang Koninklijk moeten zijn, want een van de samenstellende delen is al zo’n 190 jaar geleden opgericht. W.A. Scholten richtte toen zijn zetmeelfabriek op, niet in de Veenkoloniën, maar in Gelderland. Dat was logisch, want het was dichtbij de plaatsen waar textiel gemaakt werd, en zetmeel (stijfsel) was daarvoor een belangrijk ingrediënt. In 1841 verplaatste hij zijn bedrijf naar de Veenkoloniën, omdat daar meer aardappelen voorhanden waren, en vooral ook vanwege de goedkope energie, uit turf.

De fabriek van Avebe in Ter Apelkanaal. - Foto: Michel Velderman
De fabriek van Avebe in Ter Apelkanaal. - Foto: Michel Velderman

Scholten was een echte industriële entrepreneur, hij investeerde waar hij winstkansen zag. Al snel na de verplaatsing naar de Veenkoloniën opende hij vestigingen voor de productie van aardappelzetmeel in het buitenland. Aan het eind van de 19de eeuw had Scholten 3 productievestigingen in het huidige oosten van Duitsland, 5 in het huidige Polen, eentje in wat nu Tsjechië heet en een vlakbij Kiev, in Oekraïne.

Het bleef niet bij aardappelzetmeel, het concern stapte een eeuw geleden al volop in agrochemie en in afgeleide producten (derivaten). Feitelijk was in die tijd de zetmeelproductie in de Veenkoloniën geen kernactiviteit meer voor Scholten. Het zetmeel dat hij nog wel produceerde, verkocht hij niet als basiszetmeel, maar als halffabricaat en eindproduct voor allerlei toepassingen. Het bedrijf maakte en verkocht siropen, plaksels, vooral voor behang, maar ook speciale producten voor de textiel- en papierindustrie en zelfs voor de productie van vuurwerk. Het uiteindelijke resultaat van Scholtens’ onderneming, Koninklijke Scholten-Honig (KSH), ging in 1978 aan wanbeleid ten onder. Delen van het concern gingen over naar Avebe, maar het predicaat Koninklijk niet. Nu Avebe zelf op 11 november 100 jaar bestaat, is er een nieuwe mogelijkheid alsnog Koninklijk te worden. Volgens mij voldoet het bedrijf aan alle eisen.

Feitelijk doet Avebe het zonder subsidie veel beter dan met

Het internationale en industriële karakter van het bedrijf van Scholten staat in schril contrast met dat van Avebe. Avebe is 100 jaar geleden opgericht als een gemeenschappelijk verkoopkantoor van een groot aantal kleine lokale coöperaties. Het is dus lange tijd een topcoöperatie geweest, een coöperatie met niet boeren maar coöperaties als lid. In 1971 werden de statuten aangepast en werd Avebe een primaire coöperatie, met boeren als lid. Al wat eerder, rond 1950, ging Avebe ook zelf zetmeel produceren en pas in die periode begon het bedrijf voorzichtig met eigen onderzoek naar toepassingen van zetmeel. Scholten deed dat al 100 jaar eerder.

Prijsdruk tijdens landbouwcrisis zorgt voor ontstaan coöperaties

Aan het eind van de 19de eeuw was de productie van zetmeel in de Veenkoloniën verspreid over een groot aantal kleine particuliere bedrijven. Die beconcurreerden elkaar over de ruggen van de boeren, de leveranciers van de aardappelen. Dat werd nog erger in de grote landbouwcrisis van 1878-1895, en als antwoord op de prijsdruk richtten boeren eigen coöperaties op. De eerste in 1898 in Borgercompagnie, in 1905 waren er al 9 en in 1919 waren er 22. Die bedrijfjes waren niet in staat zelf hun producten goed te vermarkten; daarvoor werd het Coöperatief Aardappelmeel Verkoop Bureau (AVB) opgericht. De grootste coöperaties bleven overigens buiten AVB, zij konden hun eigen zaakjes wel regelen.

De coöperaties die wel meededen, legden de topcoöperatie een belangrijke beperking op: AVB mocht geen consumentenverpakkingen verkopen en ook geen derivaten. Het ging dus alleen om zetmeelverkoop aan grootverbruikers in textiel en papier. Die beperking heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat het latere Avebe heel lang weinig innovatief en weinig marktgericht geweest is. Het is eigenlijk pas 30 jaar geleden dat het bedrijf offensiever en innovatiever is gaan opereren.

Het areaal zetmeelaardappelen is nu veel kleiner dan op het hoogtepunt in de jaren 70 van de vorige eeuw.

Focus op aardappelzetmeel beter verwaarden en internationalisering

Er zijn in de recente geschiedenis van Avebe twee mogelijke strategieën te onderscheiden. De ene is die van meer waarde halen uit het eigen aardappelzetmeel, de andere is die van diversifiëren en internationaliseren.

Die laatste strategie zat, zoals opgemerkt, niet echt in de genen van Avebe. Los daarvan, als coöperatie werd meer gedacht in kostenbesparing dan in marktvergroting. Tot in de jaren 80 haalde Avebe vrijwel heel haar omzet in nabijgelegen landen. Ook was een groot deel van de afzet basiszetmeel, in plaats van afgeleide producten met een grotere toegevoegde waarde. De stap naar verdere internationalisering werd gemaakt nadat het bedrijf, eind jaren 70, bijna kopje onder was gegaan vanwege grote milieu-investeringen.

De leden, maar ook overheden en werknemers kwamen eraan te pas om het bedrijf te redden, via een grote schuldsanering in 1987. Vanaf dat moment werd ingezet op de verwerking van meerdere grondstoffen, naast aardappelen ook tapioca en granen, en niet alleen in de Veenkoloniën, maar ook elders in de wereld. Er werden grote investeringen gedaan in China in aardappelzetmeel en bijvoorbeeld in Thailand voor tapioca. Er werden (te) grote stappen gemaakt. In 1984 werd 17% van de omzet buiten Europa behaald, in 2003 was dat al 42%.

De gedachte achter de internationalisering was dat men internationaal marktleider moest zijn, een idee dat in die tijd bij alle Nederlandse coöperaties leefde. Het lastige voor Avebe was echter dat aardappelzetmeel maar een klein stukje van de hele zetmeelmarkt is. Twee derde is maiszetmeel, daarnaast zijn er nog andere bronnen als tarwe en tapioca. Al had Avebe in de jaren 90 een derde van de wereldmarkt voor aardappelzetmeel in handen, toch was dat maar 2% van de hele zetmeelmarkt. Marktleiderschap was dus heel relatief, Avebe was zeker niet in staat de prijs en de voorwaarden in de markt te bepalen. De internationalisering en verbreding werden geen succes en leidden rond 2005 tot een ernstige interne crisis. Bestuurders stapten op en directeuren werden ontslagen. Ik had toentertijd mijn twijfel bij de terugtrekkende beweging, maar achteraf is het goed gekomen.

Laden van zetmeelaardappelen voor Avebe. - Foto: Mark Pasveer
Laden van zetmeelaardappelen voor Avebe. - Foto: Mark Pasveer

Los van bulkmarkt door waarde toe te voegen aan eigen product

De andere mogelijke strategie is die van toevoegen van waarde aan het eigen zetmeel. In de basis gaat het er dan om producten te maken met een eigen markt en prijs, om zo minder afhankelijk te zijn van de niet beïnvloedbare internationale prijs van bulkzetmeel. Opeenvolgende bestuurders en directeuren verzekerden steeds weer dat Avebe al een heel eind op streek was met die zogeheten derivatisering.

Dankzij coöperatieve structuur nog steeds focus op aardappelen en Veenkoloniën

Ik ben altijd een groot voorstander geweest van die lijn. Weg uit de laagwaardige bulkmarkt en concentreren op kleinere, hoogwaardige deelmarkten, desnoods door minder aardappelen te vermalen. Ik herinner me nog een verhitte discussie in de jaren 80 van een paar externe deskundigen en ik met de toenmalige bestuursvoorzitter daarover. De helft van het zetmeel zou volgens hem al als derivaat verkocht worden, volgens ons was het maar 15%. Dan was het toch zeker 40% aldus de bestuurder. Vooruit, zeiden we, als je ruim rekent, is het misschien 25%, maar daar houdt het mee op! De tijden zijn veranderd: de focus op derivatisering in de laatste 10 à 15 jaar heeft grote gevolgen gehad. Volgens eigen opgave van Avebe is het aandeel derivaten inmiddels 60%.

Zoals gezegd, Avebe is pas laat gaan investeren in eigen onderzoek en ontwikkeling. Het begon feitelijk pas echt met het binnenkomen van delen van KSH. In de bekende spagaat tussen geld voor boeren en geld voor de ontwikkeling van het bedrijf bleven onderzoek en ontwikkeling altijd een lastig iets. Inmiddels is de knop wel om. In 2018 heeft Avebe bijvoorbeeld een eigen onderzoekslab gevestigd op het terrein van de Groningse universiteit.

De prestatieprijs die Avebe betaalt, vertoont een stijgende lijn. De strategie van de laatste jaren is een succes.

Afgeleide producten en eiwitproductie dragen bij aan succes

Het gaat inmiddels heel goed met Avebe. Er is een mooi eigen vermogen en de omzet, van rond € 600 miljoen, groeit. De uitbetalingsprijs is jaar na jaar beter en dat ondanks de afbouw van de Europese steun voor aardappelmeel, de zogeheten evenwichtspremie. Feitelijk doet Avebe het zonder die subsidie veel beter dan daarvoor.

Er zijn meerdere redenen voor dat succes. Eentje is de genoemde keuze voor derivatisering. Maar meer algemeen is de markt voor zetmeel als onderdeel van menselijke voeding gegroeid, onder invloed van de toegenomen aandacht voor ‘natuurlijk’ en ‘gezond’. Dat is niet alleen wijsheid van directie en bestuur geweest, maar ook een beetje geluk. De prijzen die in de markt voor menselijke voeding behaald kunnen worden, zijn veel hoger dan die in de traditionele bulkmarkten van natief zetmeel voor textiel, papier en de olie-industrie. De gevraagde kwaliteiten zijn veel hoger en daar wordt voor betaald.

De regio en de boeren hebben met downs en ups veel baat gehad bij coöperatie Avebe

Ten slotte, en als onderdeel van die ontwikkeling, mag het succes van de eiwitwinning niet onvermeld blijven. Sinds 2007 is dochter Solanic in staat eiwitten voor de voedingsmiddelenindustrie te maken. De vraag ernaar is snel gegroeid, weer onder invloed van de veranderende voedingsgewoonten. Plantaardig eiwit is een belangrijk bestanddeel van allerlei vega-producten, en die markt explodeert. De Solanic-fabriek bij mij om de hoek, in Gasselternijveen, verdubbelt de productie bijna jaar na jaar. Overigens is eiwitproductie niet nieuw voor Avebe, ze deden het 40 jaar geleden ook al. Maar anders dan nu waren er toen alleen laagwaardige markten voor beschikbaar, terwijl de productiekosten hoog waren.

Conclusies

In 2008 heb ik een hoofdstuk over Avebe geschreven in een boek (*) over internationalisering van middelgrote bedrijven. Een van de bevindingen daarin was dat bedrijven met de omvang van Avebe doorgaans behoorlijk internationaal gegaan zijn, met vestigingen in verschillende werelddelen. Avebe was (en is) daar, mede vanwege haar coöperatieve structuur, ver bij achter gebleven. Achteraf gezien is dat dus toch geen slechte keuze geweest.

Een tweede conclusie was dat dankzij de coöperatieve structuur Avebe nog steeds gefocust is op aardappelen en de Veenkoloniën. Een particuliere investeerder als Scholten was 100 jaar geleden al bezig zich uit de aardappelen en de regio terug te trekken. De regio en de boeren hebben met downs en ups daarom veel baat gehad bij coöperatie Avebe.

* D. Strijker, Globalization of a potato starch co-operative: The case of AVEBE. In: P.H. Pellenbarg and E. Wever (eds)., International business geography. Routledge, London and New York, 2008, pp. 169-185

Dirk Strijker

Dirk Strijker is hoogleraar Plattelandsontwikkeling, Mansholtleerstoel voor Plattelandsontwikkeling aan RU Groningen. Of beter: hij was dat. Sinds zijn officiële afscheid in juni is hij nu aan het afbouwen. Strijker is een veelgevraagd spreker en adviseur op het gebied van landbouweconomie en -beleid. Lezers van Boerderij kennen hem al 9 jaar als vaste columnist. Als landbouweconoom uit het Noorden heeft Strijker het reilen en zeilen van Avebe vele jaren intensief gevolgd en erover gepubliceerd, zodat hij bekendstaat als Avebe-watcher. In verband met 100-jarig jubileum dat de zetmeelaardappelcoöperatie dit jaar viert, vroeg de redactie hem een essay te schrijven over de ontwikkeling van Avebe en over het belang van de onderneming voor de akkerbouw en de Veenkoloniën.

Of registreer je om te kunnen reageren.