Akkerbouw

Achtergrond

‘Uienonderzoek kan doelgerichter’

Uienonderzoek is vercommercialiseerd en telers kunnen online moeilijk nuttige informatie vinden, vindt onafhankelijk uienadviseur Evert Steenge. Daarom heeft hij praktische kennis op een rij gezet.

Evert Steenge is voor velen in de uiensector een bekend gezicht. Ruim 7 jaar was de nu 70-jarige Vlissinger voorzitter van uienonderzoeksorganisatie Snuif. Hij deed daar veel kennis op en ging daarna, en tot op de dag van vandaag, verder als onafhankelijk adviseur in de uienteelt. Alle informatie die hij in de loop der jaren verzamelde, bundelde hij in een document over uien, een naslagwerk van teelt tot en met afzet dat op de . In dit interview vertelt Steenge over de ontwikkelingen in het uienonderzoek. “Het is commercieel geworden, waardoor veel resultaten binnenskamers blijven”, ziet hij. “Uireka is een mooi initiatief, waarbinnen ik de aandacht graag meer op fusarium en bacteriën gericht zou zien.”

Evert Steenge (70), uienexpert in Vlissingen. - Foto: Peter Roek
Evert Steenge (70), uienexpert in Vlissingen. - Foto: Peter Roek

Van ontwikkelingswerk tot een lange carrière in de uien

Evert Steenge (70) woont met zijn vrouw en hond in Vlissingen. Hij begon zijn carrière als ontwikkelingswerker in Congo, van 1972 tot 1975. In 1976 werd hij voorlichter akkerbouw in Dronten en Zeewolde bij het consulentschap, nu Delphy. En daarna bij firma Bol in Dronten, waarvan de landbouwtak later bij Heyboer werd ondergebracht. In 1987 werd hij directeur van Stichting Nederlandse Uien-Federatie (Snuif). Snuif deed onderzoek en voorlichting in de uienteelt. Toen eind 1994 de overheid de stekker eruit trok en het productschap de functie overnam, ging Steenge verder als zelfstandig adviseur in binnen- maar vooral buitenland. Via-via wordt hij door uientelers, vaak in Duitsland en Oost-Europa, ingeschakeld voor teeltbegeleiding. Nu hij 70 is, werkt hij nog ‘op een laag pitje’. Meerdaagse reizen doet hij niet meer.

Waarom heeft u dit document geschreven?

“Er is sinds de 50‘er jaren veel informatie verzameld die bij veel telers onvoldoende bekend is. Waar moet je op letten bij bladvlekken bijvoorbeeld en wanneer kun je meeldauw verwachten. Teelt- en bewaarinformatie moet gemakkelijk bereikbaar zijn. Als je op internet zoekt, weet je vaak niet de juiste weg en kost het te veel tijd. Dat maakt moedeloos, is mijn ervaring. De reactie daarop is: laat dan maar zitten. Met dit online naslagwerk ben je overal en direct op de hoogte. Veel van wat ik heb geschreven, is gebaseerd op onderzoek en is dus goed onderbouwd. De foto’s zorgen voor snelle herkenning.”

Hoe heeft het uienonderzoek zich tijdens uw loopbaan ontwikkeld?

“Met Snuif verzorgden we onderzoek en voorlichting in de uienteelt. Tot eind 1994 het productschap die functie overnam. De laatste jaren is het onderzoek vercommercialiseerd; met het wegvallen van de productschappen is de uitwisseling weg. Het is nu ieder voor zich en de onderzoeksresultaten worden binnenshuis gehouden. Dat leidt er tevens toe dat onderzoeken worden uitgevoerd die wij allang hebben gedaan. Zonde van het geld van de opdrachtgevers en zonde van de energie.”

Het ketenbrede uienonderzoek Uireka is hierop toch een heel goed antwoord? De hele sector zit aan tafel om de onderwerpen bij de kop te pakken die er in de praktijk toe doen.

“Dat is een heel mooi initiatief. Uireka zou de prioriteiten wat moeten verleggen. Koprotonderzoek is bijvoorbeeld niet nodig. We weten er alles al van en het is zonder chemische bestrijding, waar veel naar wordt gekeken, op te lossen. Afval opruimen en afstand houden, dan heb je het probleem getackeld.”

Waar zou het onderzoek dan op moeten focussen?

“Liever zie ik meer nadruk op fusarium en bacteriën. Dit zijn plagen die enorm goed gedijen bij warm weer. Het ziet ernaar uit dat we dat volop krijgen de komende jaren. Fusarium is een groeiend probleem in de uienteelt, dat veel schade aan kan richten. Hier ligt voor de veredeling ook een schone taak. In bijvoorbeeld Spanje doe je niet meer mee zonder fusariumresistentie in je ras. Er moet sowieso iets gebeuren op veredelingsgebied, want onze Rijsburger ui is onvoldoende bestand tegen de weerextremen waarmee we te maken hebben.”

De Rijsburger hebben we in Nederland toch nodig vanwege de daglengte?

“In Mexico heb ik uien gezien die stonden te groeien, terwijl de steekthermometer 52 graden aangaf. Dat kan daar gewoon, met die genetica. Rijnsburgers kunnen niet tegen zulke temperaturen, die uien worden moes. Daarom ben ik in ons land ook bang voor de 32-graden droogmethode om koprot tegen te gaan.”

Dat is wel een dingetje; in de uiensector heerst toch steeds meer de overtuiging dat drogen boven 30 graden koprot in de kiem smoort. U bent er geen voorstander van.

“Het komt dichtbij 35 graden, de temperatuur waarboven het echt misgaat met de uien. Het komt de kwaliteit in elk geval niet ten goede. Het is ook niet nodig als je de maatregelen toepast die ik adviseer, namelijk afval opruimen.”

Als ik bij telers kom en zij volgen het advies waarvoor ze me betalen niet op, dan stop ik er net zo lief mee

“Als geen afvalui te vinden is in een straal van zo’n 1.000 meter rond het uienperceel, dan is er geen gevaar en heb je geen chemie nodig. Ik geef dat advies niet voor niks, daar ben ik stellig in. Als ik bij telers kom en zij volgen het advies waarvoor ze me betalen niet op, dan stop ik er net zo lief mee. Het moet wel zinvol zijn.”

U loopt al zolang mee in de uiensector. Kunt u een grote verandering noemen?

“Zowel in teelt- als rooi- en bewaartechniek is enorm veranderd. Veel mooie vooruitgang, maar ook twijfelachtige ontwikkelingen.”

Kistenbewaring is een superontwikkeling

“Bij diverse veranderingen in de bewaring vraag ik me af of die wel zoveel toevoegen. Zo zet ik vraagtekens bij de meerwaarde van de grote blaassystemen, als je de kosten afweegt tegen de baten. Kistenbewaring daarentegen is een superontwikkeling. Mits de wanden dicht zijn, anders vliegt de lucht alle kanten op. In een kistenbewaring zijn problemen beter beheersbaar, omdat je de partij uien opsplitst in delen. Een extra stap is condensdrogen, dat is echt een mooi en trefzeker systeem.”

Wat is momenteel een grote uitdaging te noemen voor uientelers?

“De klimaatproblemen. Waterbeschikbaarheid is een grote uitdaging. In Zeeland hebben we veel brak water, in droge jaren als 2018 kunnen telers niks. Droogte leidt niet alleen tot groeiproblemen, het brengt ook druk van ziekten en plagen met zich mee. We hebben gezien dat trips volop toeslaat bij warm, droog weer en ontbrekende beregeningsmogelijkheden.”

Ui is een ondergeschoven kindje in het bouwplan;

“Beregenen koelt de grond ook een beetje af, zeker via druppelirrigatie. Dat is goed voor het gewas en het remt fusarium. Maar ui is een ondergeschoven kindje in het bouwplan; aardappelen gaan altijd voor. Dan ben je met beregenen te laat in de uien. Ook daarom zou druppelirrigatie zo’n mooie oplossing zijn. Dat is dé manier om beter met water om te gaan.”

Verschuift de teelt van Zuidwest naar Noordoost?

“Dat zie je in 2019 gebeuren en ik ben bang dat het doorzet. Drenthe en de andere noordelijke provincies krijgen de smaak te pakken. Niet alleen in uienproductie, ook in de zaadteelt vindt al in Drenthe plaats. Kan gewoon. Grote areaaluitbreiding zie ik in Nederland niet meer gebeuren, daar is geen ruimte voor. Klimaatverandering leidt wel tot verschuivingen. De uienteelt in verzilte gebieden wordt zo lastig dat het zinvol is om uit te zien naar alternatieven, zoals zilte gewassen of viskweek.”

Wat is de trend voor de komende jaren?

“Zonder twijfel condensdrogen met kistenbewaring. Het komt de kwaliteit ten goede en ook de manier van werken voor de teler.”

Wat zou u de sector met al uw ervaring willen meegeven?

“Organisatorisch staat de uiensector als een huis. Door de korte lijnen zijn de kosten van verwerking en transport laag. En de export is enorm. Wat ik telers echt op het hart zou willen drukken, is om iets te doen aan de mate van verwering van uien die zijn geteeld in de klei. Laat ze niet langer dan 4 dagen op het land liggen, daar win je afnemers mee. Duitsland is een grote importeur en daar wordt echt op de kleur van uien gelet. Onze buren willen schone uien, in de maat 50-70. Niet eens grove, dus daar ligt zeker een kans. En eerlijk gezegd, als uienliefhebber zie ik ook graag dat uien er goed uitzien.

De boer zegt: we krijgen niks extra voor een schone ui. En dat is ook zo. Kwaliteit krijg je niet uitbetaald. Maar het bepaalt wel of ze überhaupt verkocht worden.”

Of registreer je om te kunnen reageren.