Akkerbouw

Achtergrond

Maatwerk nodig tegen aardappelmoeheid

De aardappelmoeheid-aaltjes worden virulenter. Het duurt nog jaren voor er resistente rassen zijn. In de tussentijd helpt een rassenkeuzetoets om de opmars van de aaltjes te vertragen.

Tijd winnen. Dat is op dit moment het beste wapen tegen de virulente AM-aaltjes in het noordoosten van Nederland. Er zijn nog geen hoogresistente aardappelrassen tegen deze AM-populaties. En grondontsmetting toepassen op hele percelen, is voor zetmeelaardappelen te duur. Daarom is verspreiding tegengaan op dit moment de beste optie. En daar spelen de telers van zetmeelaardappelen een hoofdrol in. Met behulp van bemonstering en een rassenkeuzetoets kunnen zij bepalen welk ras het beste past op een bepaald perceel. Zo is vermeerdering van AM-resistente aaltjes flink te beperken, blijkt uit de ervaringen die zijn opgedaan met de rassenkeuzetoets.

Rassenkeuzetoets kost ongeveer € 300

Ruimer bouwplan onhaalbaar voor zetmeelaardappelen

De virulente aaltjes zijn een paar jaar geleden ontdekt doordat in percelen waar resistente rassen zijn geteeld toch vermeerdering plaats vond van aaltjes die aardappelmoeheid (AM) veroorzaken. De stichting TBM onderzoekt ieder jaar een bepaald aantal percelen op de aanwezigheid van AM-aaltjes. 6 jaar geleden was 1% tot 1,5% van de percelen zwaar tot zeer zwaar besmet. Nu is een duidelijke toename te zien.

Lees verder onder de foto.

Medewerkers van onderzoeks- en adviesbureau HLB in Wijster bekijken door een microscoop grondmonsters die zijn genomen voor onderzoek op aardappelmoeheid. - Foto's: Frank Uijlenbroek
Medewerkers van onderzoeks- en adviesbureau HLB in Wijster bekijken door een microscoop grondmonsters die zijn genomen voor onderzoek op aardappelmoeheid. - Foto's: Frank Uijlenbroek

Maar de situatie is nog lang niet zo erg als begin jaren 90. Toen was meer dan 55% van de percelen zwaar tot zeer zwaar besmet. Door systematisch resistente rassen te telen en door grondontsmetting zakte dat aandeel naar bijna 0% in 2012. Het verleden leert dus dat AM goed is te beheersen.

Rassenkeuzetoets helpt telers om beste ras te kiezen

Maar de telers hebben in de strijd tegen de AM-aaltjes wel minder gereedschap tot hun beschikking dan 25 jaar geleden. Grondontsmetting is alleen nog toegestaan als het perceel wordt afgedekt met folie. Dat is erg kostbaar voor zetmeelaardappelen, zegt onderzoeker/adviseur Egbert Schepel van onderzoeksbureau HLB in Wijster. “Grondontsmetting is wel een optie om pleksgewijs op een perceel AM te bestrijden. Dat geldt ook voor inundatie: het onder water zetten van een valplek die is ontstaan door AM, doodt 100% van de aaltjes. Maar inundatie toepassen op een heel perceel in de Veenkoloniën is lastig. Het perceel moet vlak zijn, je hebt veel water nodig en je moet een dijkje rond het perceel leggen.”

Rassenkeuzetoets helpt tegen aardappelmoeheid

HLB raadt telers aan hun percelen te bemonsteren op Globodera pallida en Globodera rostochiensis, de aaltjes die AM veroorzaken. Als sprake is van een te hoge besmettingsgraad, dan raadt HLB een rassenkeuzetoets aan. Dat helpt telers om het meest geschikte ras te telen op een bepaald perceel. Zo’n toets kost ongeveer € 300. Voor een rassenkeuzetoets worden AM-cysten verzameld uit een grondmonster dat is genomen op het zwaarst besmette deel van een perceel (>2.000 levende larven en eieren (lle) per 200 ml grond). De larven uit deze cysten gaan in een buisje (300 levende larven per buisje) met schone grond, waarin een aardappel van een bepaald ras is gepoot. De toets wordt meestal uitgevoerd met acht verschillende rassen in acht herhalingen.

Adviseur Egbert Schepel van onderzoeks- en adviesbureau HLB bekijkt de buisjes met de rassenkeuzetoetsen.
Adviseur Egbert Schepel van onderzoeks- en adviesbureau HLB bekijkt de buisjes met de rassenkeuzetoetsen.

Na verloop van tijd telt HLB het aantal nieuwe cysten in ieder buisje. Als standaard gebruikt HLB het ras Désirée. De vatbaatbaarheid van dit ras wordt op 100% gezet. Vervolgens wordt bepaald in hoeverre de aaltjes van dat specifieke perceel op de 7 andere rassen reageren. Dat wordt uitgedrukt in een relatieve vatbaarheid, dus ten opzichte van de aaltjesvermeerdering bij Désirée. Als de vermeerdering onder 5% valt, is sprake van een resistent ras. Als beide AM-aaltjes op een perceel zijn gevonden, wordt de rassenkeuze beperkter. Schepel: “Bij een mengbesmetting moet een ras een resistentie hebben tegen beide AM-aaltjes.”

Ruimer bouwplan lastig bij zetmeelaardappelen

Zetmeelaardappelen worden meestal 1-op-2 geteeld. Schepel benadrukt het belang van het bestrijden van aardappelopslag bij dat intensieve bouwplan. “Met aardappelopslag teel je 1-op-1 aardappelen. Dat geeft een zeer sterke vermeerdering van AM. De natuurlijke afbraak bedraagt in het tussenjaar zo’n 35% tot 45%. Daarom is bestrijding van aardappelopslag zo belangrijk.”

Ook het telen van vanggewassen helpt om de AM-aaltjes te reduceren

De stichting TBM heeft 350 percelen bemonsterd op AM. Daarvan werd op 80% de aardappelen 1-op-2 geteeld en op 20% 1-op-3. Ook op die minder intensief beteelde percelen zijn de virulente AM-aaltjes gevonden. Een verruiming van het bouwplan naar 1-op-3 geeft dan ook geen zekerheid dat het aantal virulente AM-aaltjes terugloopt. Schepel gelooft wel dat bij de teelt van resistente rassen AM in een ruimer bouwplan verder terugloopt dan in een intensief bouwplan. “Maar een ruimer bouwplan is voor zetmeelaardappelen economisch niet haalbaar.”

Ook het telen van vanggewassen helpt om de AM-aaltjes te reduceren. Schepel noemt raketblad en aardappel. De aardappelen worden dan vroeg doodgespoten. Deze vanggewassen lokken de aaltjes uit de cysten, waarna ze door gebrek aan voedsel verhongeren. Schepel: “Het telen van aardappelen als vanggewas bij een 1-op-2-rotatie heeft als nadeel dat er in het tussenjaar ook aardappelen worden geteeld. Dan wordt de aardappelteelt nog intensiever. Ik vraag me af of een teler dat zou moeten doen. En raketblad is moeilijk te telen.”

Rol bodemleven beperkt bij AM-bestrijding

Een andere optie die vaak wordt aangedragen om AM te bestrijden, is het stimuleren van het bodemleven. Dan zouden meer natuurlijke vijanden van de AM-aaltjes in de grond zitten. HLB heeft daarom op een paar percelen het aaltjes-bodemleven geteld, zowel in valplekken als in plekken waar de aardappelen goed groeiden. Schepel: “We vonden geen rijker bodemleven buiten de valplekken dan binnen de valplekken. Er is geen 1-op-1-relatie tussen de aanwezigheid van bodemleven en AM. Maar een bodem zonder bodemleven geeft AM-aaltjes wel meer kans zich sneller te vermeerderen. En een gezonde bodem zorgt ervoor dat AM-aaltjes minder schade toebrengen aan de aardappelen.”

Verleden leert dat aardappelmoeheid goed beheersbaar is

In het verleden is geprobeerd de lokstof die de aaltjes uit de cysten lokt na te maken. Die ontwikkeling ligt echter stil, bleek onlangs op een bijeenkomst met zetmeelaardappeltelers in Valthermond van het HLB-project ‘AM Precies in Beeld’, dat wordt uitgevoerd in het kader van Innovatie Veenkoloniën. De chemische samenstelling van de lokstof is zo ingewikkeld dat commerciële productie in een laboratorium peperduur is.

Telers hebben dus niet veel gereedschap in de strijd tegen AM. Zolang de aardappelrassen nog niet de juiste genen hebben om vermeerdering van virulente AM-aaltjes tegen te gaan, blijft de rassenkeuzetoets onmisbaar om verdere verspreiding te beperken, samen met het gebruik van granulaat. De rassenkeuzetoets heeft een grote voorspellende waarde, stelt Schepel. “Telers kunnen hun percelen laten bemonsteren op AM en vervolgens laten bepalen welke rassen ze het beste kunnen telen. Als de rassenkeuzetoets een lage relatieve vatbaarheid geeft bij een bepaald ras, blijkt uit de bemonstering na de teelt van dat ras dat de besmetting met AM flink is gedaald. Ook blijkt dat de aaltjes zich veel minder hebben vermeerderd dan na de teelt van een ras met een hoge relatieve vatbaarheid.”

‘Aardappelmoeheid is een trage epidemie’

Aardappelmoeheid in het Veenkoloniale teeltgebied wordt vooral veroorzaakt door het AM-aaltje Globodera pallida. In 80% van de grondmonsters met een AM-besmetting wordt dit aaltje gevonden. In de andere 20% is sprake van Globodera rostochiensis. Het project Pallifit is daarom gericht op G. pallida. In het project zoekt Wageningen UR samen met onder andere onderzoeksbureau HLB en kweekbedrijven naar een betere toepassing van resistenties tegen AM.

In het buisje zitten AM-larven van een perceel met een bepaalde aardappel. Door de aaltjesvermeerdering te meten, wordt duidelijk of dit ras geschikt is voor dit perceel.
In het buisje zitten AM-larven van een perceel met een bepaalde aardappel. Door de aaltjesvermeerdering te meten, wordt duidelijk of dit ras geschikt is voor dit perceel.

Aardappelmoeheid is een trage epidemie, zegt Geert Smant, nematoloog bij het laboratorium voor nematologie van WUR. “AM-aaltjes verplaatsen zich in de grond maximaal 1 meter per jaar. Ze produceren 1 generatie per jaar. 1 cyste produceert 20 nieuwe cysten op een vatbare plant. In een duidelijk herkenbare valplek vind je soms miljoenen cysten. Dan weet je dat die besmetting er al jaren zit, gezien de langzame vermeerdering van AM-aaltjes.”

Dat de laatste 2 jaar meer virulente AM-aaltjes worden gevonden, komt door uitselectie, legt Smant uit. “Een resistente aardappelplant herkent het AM-aaltje. Als het aaltje een cel aanprikt, sterven de cellen rondom de kop van het aaltje. Daardoor kan het aaltje geen voedsel meer opzuigen en sterft. Een virulent aardappelcystenaaltje wordt niet door de plant herkend, waardoor het aaltje zich kan blijven voeden. Daardoor kan zo’n populatie groeien als de juiste resistenties ontbreken in de aardappelplant.”

Bij een besmetting zijn de virulente aaltjes waarschijnlijk al jarenlang ongemerkt aanwezig in de grond. Dat komt omdat een aaltjespopulatie zich langzaam vermeerdert. Smant: “Dat is ook de reden dat een resistentie die is ingebouwd tegen AM jarenlang effectief blijft. Dat is anders bij bijvoorbeeld een resistentie tegen phytophthora. Phytophthora vermenigvuldigt zich veel sneller, waardoor uitselectie ook sneller plaatsvindt.”

G. pallida is rond 1850 in Europa geïntroduceerd, schat Smant. “We weten uit genetisch onderzoek dat de oorspronkelijke besmetting via kweekmateriaal uit Peru in Europa terecht is gekomen. Dat nu virulentere aaltjes boven komen drijven, komt door uitselectie door AM-resistente rassen. De aaltjes die het beste overleven op resistente aardappelplanten breiden zich uit. Dat in het veld daardoor virulente populaties ontstaan is vermoedelijk onvermijdelijk.”

Het Pallifit-project brengt het DNA van de virulente aaltjes in kaart. Smant: “Met zo’n DNA-profiel kunnen we snel bepalen of een perceel is besmet met deze aaltjes. Daarnaast bepalen we de resistentieniveaus van de rassen. Door die twee te koppelen kun je in een rassenkeuzetoets gericht advies geven welk ras een teler het beste kan telen op een bepaald perceel. Dat verlengt de levensduur van de huidige resistenties totdat via veredeling nieuwe resistentiegenen tegen de virulente aaltjes zijn ingekruist.”

Of registreer je om te kunnen reageren.