Akkerbouw

Achtergrond

Opbrengst alles-in-een op zware klei niet beter

De vergelijking afgelopen seizoen van pootsystemen op zware Flevolandse klei laat niet meteen een systeem zien dat eruit springt. Opbrengsten en kwaliteit na alles-in-één waren gelijk aan die na conventioneel poten.

Het ene pootsysteem heeft het qua opbrengst niet beter gedaan dan het andere. Dat is de conclusie van de vergelijking in Flevoland van het alles-in-éénpootsysteem voor aardappelen met het systeem met poten en aanaarden in twee aparte werkgangen.

Andere argumenten

In een tussenrapportage eind augustus leek de opbrengst bij het alles-in-éénpootsysteem nog wat hoger. “Maar nu we alles op een rij hebben gezet, komt qua kilo’s en kwaliteit niet een systeem als winnaar uit de bus”, vertelt onderzoeker Kees Westerdijk van Aeres Hogeschool in Dronten. “Wat dan resteert zijn andere argumenten om voor het ene of het andere systeem te kiezen.” Westerdijk en studenten van Aeres Hogeschool hebben de praktijkvergelijking begeleid.

Lastig praktijkonderzoek

Dat het zeer lastig is om in de boerenpraktijk proeven te doen en daar harde conclusies aan te verbinden die ook in volgende jaren gelden, blijkt opnieuw uit de pootsystemenvergelijking van afgelopen jaar. Nu bleek de opbrengst en kwaliteit van beide systemen gelijk. Maar hoe is dat volgend jaar als direct na het poten een plensbui valt en het daarna lang nat blijft. Is het alles-in-éénsysteem dan in het voordeel doordat de rug al staat. Of juist niet doordat de definitieve rug deels afspoelt?

Onderzoeker Kees Westerdijk van Aeres beseft maar al te goed hoe lastig is het om uit praktijkonderzoek onweerlegbare conclusies te trekken. Bij pootsystemenvergelijking van dit jaar kon op een en dezelfde dag met beide systemen worden gepoot. Dat kwam met het weer dit jaar goed uit.

“Dan lijk je beide systemen een gelijke kans te geven, maar feitelijk benadeel je er een. Want normaal gesproken kun je met een systeem van apart poten en later aanfrezen juist eerder het land op. Dat voordeel kon in 2019 niet benut worden. Simpel praktijkonderzoek is veel moeilijker dan onderzoek in het laboratorium, waar je alle relevante factoren onder controle hebt.”

Alles-in-één op zware klei

De vergelijking van de pootsystemen is een initiatief van mechanisatiebedrijf Abemec Zeewolde en fabrikant van landbouwmachines Dewulf. Op zes akkerbouwbedrijven in Flevoland is het alles-in-éénpootsysteem vergeleken met de meerfasepootsystemen die de telers zelf hadden staan.

Het idee erachter van Abemec en DeWulf was dat ook op de zware Flevolandse klei van 50 à 60% afslibbaar het alles-in-eensysteem een opbrengstvoordeel zou kunnen hebben. De verdampingsverliezen zouden kleiner kunnen, net als het risico op een te late rugopbouw voor regen na het poten. Bij te laat opfrezen bestaat de kans dat haarwortels worden beschadigd.

Verder spaart aanaarden tegelijk met het poten een werkgang uit. Dat geeft een besparing op arbeid en brandstof.

Van monsters uitroefrooiïngen uit beide pootsystemen zijn netto-gewicht, sortering, groen en onderwatergewicht bepaald door studenten van Aeres Hogeschool. - Foto: Ruud Ploeg
Van monsters uitroefrooiïngen uit beide pootsystemen zijn netto-gewicht, sortering, groen en onderwatergewicht bepaald door studenten van Aeres Hogeschool. - Foto: Ruud Ploeg

Eerder het land op

Daartegenover geldt voor het lichtere tweefasensysteem wel weer dat je er eerder mee het land op kunt. Ook warmt vóór het aanaarden de nog kleine rug sneller op dan een definitieve zwaardere rug. Dat zou dan weer zorgen voor sneller uitlopen van de poter in de rug.

Het systeem met frezen, poten en aanaarden in één werkgang wordt al een aantal jaren toegepast. Maar op zware klei blijven nogal wat telers hechten aan aanfrezen in een aparte werkgang. Zeker als de ondergrond nog enigszins vochtig is, frezen ze niet graag diep voor voldoende losse grond voor de rugopbouw. Bij het poten beperken ze zich dan tot een wat ondieper losgemaakt pootbed. Met dieper frezen voor genoeg losse grond wachten de telers tot de ondergrond droger is.

Brandstofverbruik

Voor wat het brandstofverbruik blijkt inderdaad dat alles-in-één voordeliger is. Eén van de telers noteerde voor zijn eigen conventionele pootsysteem 20 liter per hectare voor het rotoreggen, 25 liter voor poten met frontfrees en 25 liter voor het aanfrezen. Samen 70 liter per hectare. Het dieselverbruik bij het alles-in-éénsysteem varieerde bij de verschillende deelnemers aan de vergelijking tussen 37 en 45 liter per hectare.

Donderdagavond 5 september: Aeres-studenten Jeroen de Winter (l.) en Jan-Jaap Daanje praten telers bij over hun waarnemingen in de systeemvergelijkingen tot dan toe. - Foto: Leo Tholhuijsen
Donderdagavond 5 september: Aeres-studenten Jeroen de Winter (l.) en Jan-Jaap Daanje praten telers bij over hun waarnemingen in de systeemvergelijkingen tot dan toe. - Foto: Leo Tholhuijsen

Verschillen in het seizoen

Zoals gezegd heeft de vergelijking dit jaar geen opbrengstverschillen tussen het ene en het andere systeem aan het licht gebracht. Gedurende het groeiseizoen zagen de Aeres-studenten die de percelen beoordeelden, wel verschillen. Begin juni gingen ze langs de percelen en deden er hun waarnemingen. Gekeken is naar de rugomtrek, de pootdiepte, de diepte van de bewerking, de rugstabiliteit, de vochthuishouding en de kruimeligheid.

Ze noteerden het volgende:

  • In de demonstratiestroken van het het alles-inéénpootsysteem is een grovere bodemstructuur in de rug te zien dan ernaast, waar in twee fasen werd gepoot en aangeaard. Onmiskenbaar is dit het resultaat van een diepere bewerking van de grond.
  • Over de stabiliteit noteren de studenten dat over de hele linie de later opgebouwde ruggen steviger blijken dan die gelijk met het poten zijn opgebouwd. Zeker bij de telers die tussen het poten en definitieve rugopbouw hadden beregend, is een mooie stevige rug ontstaan.
  • Voor de ruggen geldt verder dat de de rugomtrek bij de conventionele systemen beter behouden is gebleven. De ruggen zijn allemaal opgebouwd met een rugomtrek van 90 centimeter (eenmaal 92 cm). Bij het tweefasensysteem varieerde de rugomtrek begin juni van 91 tot 85 cm. De alles-inéénruggen waren meer ingezakt: tot 83/84 centimeter.
    Christiaan Poot van Dewulf ging uit van een betere kwaliteit rug als die meteen bij het poten definitief zou worden opgebouwd. “Wat je bij achteraf opbouwen krijgt, is een soort scheiding tussen de eerste al wat bezakte rug en de tweede daar bovenop. Later zie je dan vaak over de rug lengtescheuren ontstaan. Door de diepere bewerking van de rijenfrees tussen de ruggen wordt de fundering van de nieuwe laag grond op de bestaande rug verzwakt, waardoor het bovenste gedeelte opzij kan afschuiven met als gevolg extra onkruiddruk, extra verdamping van vocht en groene knollen. Ik denk dat opbouw ineens echt voordelen heeft.”
  • Bij alles-inéén staan de aardappelplanten altijd midden in de rij. Bij het tweefasensysteem bestaat het risico af en toe iets met de frees op te schuiven, waardoor planten uit het midden komen te staan. Afgezien van het risico van uit de rug groeien (groen), bestaat in met name de biologische teelt het risico dat wortels of aardappeltjes bij schoffelen worden aangesneden.
  • Bij de beoordeling van monsters uit de proefrooiing en uit de hoofdoogst is er ook qua groen geen verschil gevonden tussen de systemen.
  • In het alles-in-éénpootsysteem staat wat meer onkruid dan in de gedeelten waar in twee fasen is gepoot en aangeaard. Alle aardappelen zijn met bodemherbicide gespoten. Er zijn bij het spuiten in die zin geen banen uitgezet.
  • Bij het alles-inéénsysteem waren er meer missers. Student Jeroen de Winter zoekt de verklaring in de afstelling van de trillers die moeten voorkomen dat twee poters op een lepel komen te liggen. “Staat die te intensief, dan ligt er soms geen enkele poter op de lepel. Heeft meer met juiste afstelling te maken dan met verschillen tussen de systemen. ”

Dieper rooien

Bij het rooien in oktober constateerden enkele telers dat ze bij het alles-in-éénpootsysteem wat dieper moesten rooien om te voorkomen dat ze knollen doorsneden. “Dat betekent dus ook wat langzamer rooien”, zegt Kees Westerdijk. “Maar dat wil ik niet aan het pootsysteem toeschrijven. Het is eerder een kwestie van goed afstellen om niet te diep te poten. Dat hou je altijd.”

Westerdijk signaleert wel verschillen in opbrengst tussen vroegere en latere oogst. “Variërend van 3 tot ook wel zes ton per hectare. Maar die kan ik niet toeschrijven aan de systemen.”

Conclusie van pootsystemenvergelijking

Is er dan helemaal geen opbrengstconclusie uit de Flevolandse pootsystemenvergelijking 2019 te trekken? Westerdijk: “Jawel, de conclusie is dat ik statistisch verantwoord geen meeropbrengst zie voor één van de twee systemen. De verschillen binnen een perceel waren soms groter. Wat ik dan wel kan zeggen is dat de opbrengst geen reden hoeft te zijn om niet naar andere economische en arbeidstechnische voordelen van het alles-in-éénpootsysteem te kijken. Juist op groeiende akkerbouwbedrijven voedt het arbeidsfilmtechnische argument de nieuwsgierigheid naar alles-in-één.”

‘Arbeidsplanning wordt heel belangrijk’

“Ik vind de vergelijking dit jaar een goede basis om met telers verder te discussiëren over pootsystemen”, zegt verkoopleider Menko Oosterhuis van mechanisatiebedrijf Abemec in Zeewolde. “Met alleen te kijken naar de opbrengst is het verhaal namelijk nog niet af. Er is nog voldoende te bespreken. Wat in ieder geval ook duidelijk is dat met met het alles-in-éénpootsysteem brandstof wordt bespaard. En wat volgens mij het allerbelangrijkst wordt, of misschien al is, is de besparing op arbeid. Eigenlijk meer nog een andere planning van de arbeid. Wat ik nu al geregeld hoor is dat machines stil staan, omdat er geen mensen zijn.”

Verdiepingsslag gemaakt

Oosterhuis was begin dit jaar initiatiefnemer van de vergelijking van de twee pootsystemen. Ondanks dat 2019 geen uitsluitsel gaf over welk systeem qua opbrengst de beste kaarten heeft, vindt hij dat met de vergelijking wel een verdiepingsslag is gemaakt. Het helpt ons in het proces van nadenken over moderne mechanisatie. Meer en meer gaat de beschikbaarheid van personeel in investeringsafwegingen een rol spelen. We moeten toe naar robuuste systemen, waarin arbeid goed is te plannen. Dat wordt belangrijker dan misschien 1 of 2% opbrengstverschil tussen de systemen.”

In gesprek met telers

Met alvast de wetenschap dat de opbrengsten in 2019 zo goed als gelijk waren, gaat Oosterhuis komende winter een bijeenkomst organiseren om met telers in gesprek te gaan over de systemen. “Er zijn er die erg geïnteresseerd zijn in alles-inéén. Maar gisteren sprak ik nog een van de deelnemers die er nog steeds niks van moet hebben. Laat ze op zo’n bijeenkomst maar tegenover elkaar staan, zou ik zeggen. We kunnen het dan ook hebben over de specifieke omstandigheden van het droge voorjaar en het specifieke groeiseizoen. Waar we ook nog weinig over hebben gezegd is over bodem. We beseffen meer en meer dat we duurzaam met onze bodem moeten omgaan. Hoe en met welk systeem doen we dat? Welke banden? Welke bodemdruk?”

Oosterhuis verwacht niet dat komend voorjaar de telers in de rij zullen staan om hun pootmachines in te ruilen. Maar hij is er wel van overtuigd dat over pakweg tien jaar 80% van de aardappelen met een alles-in-eensysteem gepoot zal worden.

Of registreer je om te kunnen reageren.