Varkenshouderij

Achtergrond 361 x bekeken

Bel voor laatste ronde in strijd om wet herstructurering

De NVV blijft de Wet Herstructurering Varkenshouderij tot bij de hoogst mogelijke instantie aanvechten. De vakbond stapt nu naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

De NVV-procedure tegen de Wet Herstructurering Varkenshouderij loopt al sinds de invoering van die wet in 1998 na de varkenspest. De wet ging gepaard met een afroming van 15 procent van de mestrechten. Daarvoor in de plaats kwamen dierrechten. Latente mestruimte werd geschrapt zonder vergoeding. En dat is dus het punt dat de NVV aanvecht in de procedure tegen de Nederlandse Staat. De vakbond beschouwt het schrappen van de mestrechten zonder vergoeding als pure diefstal en beschouwt dit als een inbreuk op de rechten van de mens.

In 2001 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Wet Herstructurering Varkenshouderij niet strijdig is met de Nederlandse Grondwet. Er kunnen hogere belangen zijn voor de maatschappij die een dergelijke actie van de overheid rechtvaardigen, aldus de Hoge Raad. In die situatie is het niet ongerechtvaardigd om de kosten verbonden aan maatregelen ter beperking van schade aan het milieu en andere maatschappelijke belangen voor rekening te laten van de bedrijven die die schade veroorzaken, (lees de varkensbedrijven).

Bovendien stelde de Raad dat de mestrechten bij de start van het systeem ooit om niet zijn toegekend aan de bedrijven op basis van berekeningen van de bedrijfsomvang. Tegelijkertijd onderkende de Raad wel dat er omstandigheden kunnen ontstaan die een buitensporige last (‘individual and excessive burden’) voor de gedupeerde tot gevolg kunnen hebben. Het gaat daarbij volgens de Hoge Raad niet om de vergoeding van de mestrechten als zodanig, maar om schade die bijvoorbeeld ontstaat doordat investeringen door de wet onbruikbaar zijn geworden en niet terugverdiend kunnen worden. In die gevallen zou een schadevergoeding rechtvaardig zijn.

De Hoge Raad verwees de procedure terug naar het Gerechtshof in Arnhem. Dat Gerechtshof boog zich over vijf individuele gevallen waarin mogelijk sprake zou zijn van een buitensporige last. In één van de gevallen oordeelde het Arnhemse Hof dat er inderdaad sprake is van een buitensporige last. De betreffende varkenshouder zag een investering van 60.000 gulden (27.000 euro) op slag waardeloos worden doordat hij zijn latente ruimte voor 34 procent in rook zag opgaan.

Het Arnhemse Hof concludeert dat dit bijna twee keer zoveel is als de gemiddelde schade op een varkensbedrijf als gevolg van de WHV. Het is echter vooral het feit dat de betreffende varkenshouder doordat hij ziek was in het peiljaar 1996 niet in staat was de latente rechten te benutten, dat de doorslag geeft bij de beoordeling van de rechter dat er inderdaad sprake is van een buitensporige last.

De Hoge Raad heeft nu in cassatie het oordeel van het Hof van Arnhem bevestigd. Met deze bevestiging is de rechtsgang in Nederland te einde. De NVV stapt nu naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens om daar een principiële uitspraak te krijgen over de vraag of de overheid zomaar productierechten af kan nemen. Het valt nog totaal niet te zeggen wanneer de procedure in Straatsburg van start gaat, laat staan wanneer er een uitspraak is. Feit is wel dat de Nederlandse Hoge Raad de hele zaak heeft bekeken, afmetend aan de jurisprudentie van het Europese Hof.

De kans bestaat dat er niet zo heel veel meer verandert aan de huidige situatie. Het oordeel dat er nu is, betekent dat in bepaalde gevallen waarbij sprake is van een buitensporige last, de Staat wel degelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Het blijft echter moeilijk om vast te stellen wanneer daarvan sprake is. Het gevolg kan zijn dat er nog een hele trits van individuele zaken kan volgen waar de rechter over moet oordelen.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.