Varkenshouderij

Achtergrond 102 x bekeken

'Duitsland wil meer info biggen'

Nederlandse exporteurs van biggen zijn steeds meer afhankelijk van de Duitse markt. Zuid- en Oost-Europese bestemmingen vallen steeds meer weg voor de Nederlandse biggen als gevolg van allerlei beperkingen. De pas geïntroduceerde biggenpas moet de export van Nederlandse biggen naar Duitsland stimuleren. Dat zegt Cees Oostrom, dagelijks bestuurslid en vertegenwoordiger van de varkenshandel en –exporteurs binnen de Nederlandse Bond van handelaren in Vee.
De Nederlandse biggenexport zal naar verwachting groeien van de huidige 5 miljoen naar 7 miljoen stuks in het jaar 2015. Oostrom schat dat momenteel zo’n 60 % van de voor export bestemde Nederlandse biggen naar Duitsland gaat. Dat percentage gaat de komende jaren stijgen volgens hem. “De export van Nederlandse biggen naar Oost-Europa staat onder druk door de betalingsproblemen. Spanje produceert zelf steeds meer biggen en exporteert die naar Italië. Bovendien stijgt de productie van biggen in Nederland, terwijl het aantal vleesvarkensplaatsen afneemt”, legt hij uit.

Concurrentie Denen
Nederlandse exporteurs van biggen ondervinden steeds meer concurrentie op de Duitse markt van de Denen. “Deense vermeerderaars leveren sterkere biggen dan hun Nederlandse concurrenten, onder meer omdat zij geen Pieträin-bloed gebruiken”, zegt Oostrom. Bovendien kunnen Duitse vleesvarkenshouders de gezondheidsstatus van Deense biggen controleren via internet. “Om de concurrentie met de Denen aan te gaan, moeten Nederlandse vermeerderaars de gezondheidsstatus van hun dieren dus verbeteren en de mindere biggen laten slachten”, vindt Oostrom. Door de biggenpas, die in Duitsland Gesundheitspass Ferkel heet, kan de Duitse mester de gezondheidsstatus van de Nederlandse biggen controleren. “Daardoor kan Nederland beter concurreren met de Denen. Duitse vleesvarkenshouders willen zo weinig mogelijk werk in hun stallen hebben met de biggen. De Duitse vleesvarkenshouder is een gemaksboer. Hij wenst veiligheid en geen biggen met een gebruiksaanwijzing”, zegt Oostrom.

Duitsers willen meer info
Duits vleesvarkenshouders willen volgens hem zoveel mogelijk informatie over gewijzigde opgroeiomstandigheden bij de biggen, zoals een verandering van voerleverancier of voersamenstelling of het gebruik van een ander ras beer of zeug.
Naast de levering van gezonde biggen, moeten Nederlandse vermeerderaars meer opslagcapaciteit voor biggen hebben. “Nederlandse zeugenhouders zijn gewend om bijvoorbeeld iedere maandag een partij biggen af te leveren. Dat afleverschema past niet bij een Duitse vleesvarkenshouder. Die kan en wil niet iedere maandag biggen ontvangen”, zegt Oostrom. Hij raadt Nederlandse vermeerderaars daarom aan om minimaal bestaan 4 biggenopfokplaatsen per zeugenplaats aan te houden uit oogpunt van flexibiliteit en diergezondheid.
Duitse vleesvarkenshouders willen het liefst biggen met een gewicht van meer dan 30 kilo. Nederlandse vermeerderaars leveren biggen van 20 tot 25 kilo, omdat zij onvoldoende opslagcapaciteit hebben. “Dat gewicht moet omhoog voor de export naar Duitsland. Communicatie en transparantie zijn belangrijke succesfactoren om de concurrentie met de Denen aan te kunnen op de Duits markt. Nederland heeft al veel voordelen ten aanzien van de biggenexport, zoals transportafstand, koppelgrootte, kostprijs en logistiek netwerk en de centrumfunctie van de groeiende Duitse vleesindustrie”, stelt Oostrom.

Of registreer je om te kunnen reageren.