Rundveehouderij

Nieuws 502 x bekeken

Onderzoek celwandverteerbaarheid mais verdwijnt

Doetinchem - De kwekers van maisrassen, verenigd in Plantum, hebben besloten om per 2012 te stoppen met onderzoek naar celwandverteerbaarheid van snijmais.

De eigenschap werd in 2002 voor het eerst in de Rassenlijst gepubliceerd.

De discussie over celwandverteerbaaheid is niet nieuw. Jan Bakker van KWS legt uit dat de bepaling van celwandverteerbaarheid via de Tilly & Terry-methodiek gebeurt: „Oftewel 48 uur celwanden verteren in een reageerbuis. Maar ruwvoer is slechts zo’n 12 uur in de pens.”

Ook is de rijpheid van mais verschillend bij één oogsttijdstip, dat beïnvloedt de verteerbaarheid. Voorts is de economische waarde van de eigenschap onbekend. Bakker vindt dat de restplant gezien kan worden als ruwvoer en pensvulling, maar niet als hoogwaardige ruwe celstof.

Een ander argument voor het laten vervallen van het onderzoek is dat uit de kwaliteit en het zetmeelgehalte ook veel af te leiden is. Eugène Houben van Pioneer: „Als twee rassen een verschillende VEM per kilo droge stof hebben bij gelijk zetmeelgehalte, kun je het verschil min of meer toeschrijven aan het verschil in verteerbaarheid.

Jos Groot Koerkamp van Limagrain vindt het jammer dat de eigenschap van de Rassenlijst verdwijnt: „Alle voederwaarde die een beter verteerbare plant oplevert is meegenomen, en die informatie moeten telers straks tussen de regels opzoeken. Ook is met de gegevens de rassenkeuze beter af te stemmen op het rantsoen.”

Een tweede grote verandering is dat het maisrassenonderzoek in de toekomst twee oogsttijdstippen zal kennen. Het aantal vroegheidsgroepen wordt daartoe teruggebracht van drie naar twee. Groot Koerkamp: „Dan zit je dichter bij het moment dat de mais ook echt oogstrijp is. Dat geeft een beter beeld van de potentie van een ras en het sluit aan bij de onderzoeken zoals ze in de rest van Europa ook gebeuren.”

Bakker wil nog liever dat élk ras wordt onderzocht bij 36 procent droge stof: „Dan kun je rassen vergelijken. Kritiek is dat een correcte vergelijking nu nog steeds niet kan, omdat bij twee oogstmomenten nog steeds rassen geoogst worden op bijvoorbeeld 33 procent droge stof. Dan is er in vergelijking met 36 procent geen vorming van extra droge stof, maar is de samenstelling zoals zetmeelgehalte, celwandfractie, suiker en olie nog wel in beweging.”

Of registreer je om te kunnen reageren.