Rundveehouderij

Nieuws 314 x bekeken

Zetmeel belangrijkst in mais

Waasmunster - Veehouders die voor de rassenkeuze staan moeten gaan voor drogestofgehalte van de korrel als vroegheidsindicator en zetmeelopbrengst per hectare als maat voor de financiële opbrengst. Dat vindt Jan Bakker, directeur van KWS Benelux.

Boeren moeten zich in elk geval niet laten leiden door waarden die gerelateerd zijn aan celwandverteerbaarheid en verteerbaarheid zoals VEM en VOS.

KWS verzet zich al langer tegen de waardering die er aan de eigenschap celwandverteerbaarheid wordt gegeven. Het belangrijkste argument is dat het niet te vergelijken is in de huidige rasproeven en omdat het systeem niet overeenkomt met de mogelijkheden van de koe. Het huidige celwandverteerbaarheidscijfer is vastgesteld uit de vertering van een vers, gemalen maismonster gedurende 48 uur. De verschillen in verteerbaarheid over 48 uur zijn ongeveer 10 procent. Bakker: ,,Maar de mais wordt ten eerste niet gemalen aangeboden, maar nog belangrijker is dat het voer maar 12 tot maximaal 20 uur in de pens verblijft.

Reden voor KWS om de celwandverteerbaarheid bij laboratoria in Nederland, België en Duitsland te laten onderzoeken bij kortere verblijfsduur. Het blijkt dat naarmate de verblijfsduur van mais in de pens korter wordt, het niveau van de verteerbaarheid lager wordt en de verschillen tussen rassen kleiner. Er is dus bijdrage van de verteerbaarheid in de totale voederwaarde, maar de bijdrage is erg klein. ,,En de mogelijke rasverschillen zijn verwaarloosbaar klein”, zegt Jan Bakker.

Verder heeft ook de variatie in zetmeelghehalte effect op de resultaten van de celwandverteerbaarheid. ,,En omdat de berekende VEM een resultante is van de celwandverteerbaarheid op basis van 48 uur staat deze ook ter discussie.”

Verder plaatst Bakker grote vraagtekens bij de totstandkoming van de kwaliteitcijfers. Tijdens de afrijping van mais verandert de samenstelling, de onderlinge verhouding van onder meer de celwanden, zetmeel en suikers en de verteerbaarheden. Daarom kun je ze in de huidige rassenproeven niet vergelijken. Ook is het zetmeelgehalte niet via regressielijnen te berekenen zoals vaak gedaan wordt. Volgens KWS is dat niet correct omdat het ene ras pas laat begint met de aanzet van zetmeel terwijl een ander ras dat vroeger doet.

Bakker pleit daarom voor aanpassingen in het huidige maisrassenonderzoek en de manier waarop rassen met elkaar worden vergeleken. Deze vergelijking moet in elk geval gebaseerd zijn op zetmeelopbrengst en de drogestofopbrengst per hectare en het drogestofgehalte van de korrel. Dat zijn tot nu toe de enige waarden (naast de landbouwkundige eigenschappen) die volgens KWS op correcte en betrouwbare wijze tot stand kunnen komen in snijmais en korrelmaisproeven.

Of registreer je om te kunnen reageren.