Rundveehouderij

Foto & video 1509 x bekeken 2 reacties

Werken met behandelplan

Veel veehouders hebben een bedrijfsbehandelplan of willen ermee aan de slag. Opstellen alleen is niet voldoende, zo blijkt bij een veehouder die er al jaren mee werkt.

Foto

  • Een derde van de Nederlandse melkveehouders werkt met een bedrijfsbehandelplan. Volgens onderzoek van het UGCN zou 60 procent het hulpmiddel voor een betere uiergezondheid willen gebruiken. Er is meer nodig dan alleen het opstellen van het plan om het te laten slagen. Herman (37) en Moniek (35) Kemperman pakken mastitis al jaren planmatig aan. Al in 2005 stelden zij met hun dierenarts een bedrijfsbehandelplan op.
    Maatschap Kemperman heeft een melkveebedrijf in Drempt (Gld.). De maatschap melkt 95 koeien en houdt 70 stuks jongvee. Het rollendjaargemiddelde is 8.180 kilo melk met 4,59 % vet en 3,65 % eiwit. Het melkquotum bedraagt 780.000 kilo. Kemperman bewerkt 44 hectare grond.



    Foto’s: Henk Riswick, tekst: Jacco Keuper

  • Het bedrijfsbehandelplan opstellen ging volgens Kemperman al pratend aan de keukentafel. “De dierenarts vroeg welke middelen we gebruikten en wat werkte en wat niet.” Daarbij keken ze ook naar uitslagen van melkmonsters.

  • Het UGCN promoot het opstellen van een bedrijfsbehandelplan. Het is meer dan even invullen van een lijstje volgens de uiergezondheidskenners. Het behandelplan moet zoveel mogelijk worden gestoeld op een analyse van cijfers. De meest voorkomende vormen van uierontsteking en de beste aanpak daartegen moeten boven komen drijven. Als die cijfers niet voorhanden zijn, vormen de ervaring van de veehouder en de (medicijn)kennis van zijn dierenarts de basis voor het plan.
    Verder moet er goed over worden nagedacht wie bij het overleg aanwezig zijn. Vooral op grote bedrijven, met meerdere melkers, is het belangrijk dat iedereen inbreng kan leveren. Dat vergroot de kans dat zij later ook volgens het plan zullen handelen.

  • Het behandelplan maakt onderscheid in drie soorten mastitis: een milde mastitis, de ziekmakende variant en de ernstige variant. “Het opstellen ervan is niet veel werk, maar het komt er vaak niet van”, geeft Kempermans dierenarts Martijn Mensink toe. “Dat is jammer, want je ziet dat er daarna consequenter behandeld wordt en dat er goede, passende combinaties van middelen worden gekozen.”

  • Het maken van een plan is goed. Het vestigt de aandacht erop. Maar het slaagt pas echt als het daarna ook goed toegepast wordt. Dat begint al bij een zorgvuldige keuze van de plaats waar het plan komt te hangen. Het plan in een klapper in het kantoor bewaren is volgens UGCN een veelgemaakte fout. In de melkput, in het tanklokaal of de medicijnkast zijn veel betere plekken. Dan hangt het plan op de route die de melker neemt bij behandelen van een mastitisgeval. Dan wordt het plan ook daadwerkelijk gebruikt. Bij Kemperman hangt het plan in de hygiënesluis en bewust niet in maar op de medicijnkast. “Zodoende ziet een vervangende melker hem voor het melken al.”

  • Kemperman heeft daarnaast voor vervangende melkers ook in het tanklokaal nog een beschrijving hangen van de belangrijkste aandachtspunten bij het melken. Behandelde dieren worden genoteerd op een bord in de melkstal.

  • Als je een plan hebt, moet je er ook op kijken benadrukt UGCN. Voor Kemperman is het BBP slechts een geheugensteun. De uiergezondheid op zijn bedrijf kan beter volgens de veehouder. “Er zijn periodes dat het goed gaat, maar ook dat er twee mastitisgevallen per dag aan het licht komen.” Hierdoor kent hij het plan inmiddels uit zijn hoofd. Toch gaat het plan niet van de kast, want voor vervangende melkers houdt het zijn nut.

  • Vervolgens moet de melker het juiste middel uit de medicijnkast pakken.

  • In eerste instantie kies je aan de hand van het plan het basismiddel. “Wachten is geen optie”, verduidelijkt Kemperman. Achteraf controleert hij wel of hij op de goede weg zit of de behandeling moet aanpassen. Dit doet hij aan de hand van melkmonsters. UGCN hanteert als stelregel dat iedere veehouder jaarlijks minimaal vijf monsters van klinische en vijf van subklinische gevallen moet insturen om de verwekkers op het bedrijf in beeld te houden. Kemperman zit daar ruim boven. Hij neemt van bijna alle mastitisgevallen een melkmonster en stuurt die naar zijn dierenarts.

  • Bij het nemen van de monsters is het zaak om hygiënisch te werken. Met schone handen of melkershandschoenen neemt hij het monster. Tijdens het nemen van het monster adviseert dierenarts Martijn Mensink de veehouder het buisje nog wat horizontaler te houden zodat de kans nog kleiner is dat er vuil van de uier in het monsterbuisje valt.

  • Direct wordt het diernummer en kwartier op het buisje geschreven. Dit voorkomt vergissingen.

  • De uitslag volgt per email. Daags na het indienen van het melkmonster stuurt diergezondheidscentrum ‘t Wijdseland Kemperman een ‘eerste deeluitslag’. Hierop staat welke kiem het betreft. Een dag later is ook de gevoeligheid van de kiem bekend en komt de definitieve uitslag, compleet met behandeladvies.

  • Van groot belang is ook dat medicijnen correct worden toegediend. Dat begint volgens Mensink al bij het bewaren ervan. De injectoren moeten schoon en droog bewaard worden. De dopjes sluiten de punt nooit hermetisch af. In een vochtige omgeving (de melkput) zouden kiemen daardoor op de punt van de injector kunnen komen en tijdens het behandelen in de speen worden gebracht.

  • Het toedienen van de preparaten moet met schone handen en bij voorkeur met handschoenen gebeuren.

  • Voor het behandelen is het zaak de speen te desinfecteren. Omdat de behandeling na het melken gebeurt is de speen schoon, dus is ontsmetten van de speenpunt in principe voldoende.

  • Breng de injector niet dieper in dan nodig. Met een korte punt forceer je het tepelkanaal namelijk minder. Sommige injectoren hebben een punt als tweetrapsraket. Daarbij is onder normale omstandigheden het verwijderen van de bovenste dop voldoende.

  • Veel boeren masseren nadien het aangebrachte antibioticum omhoog. Dit hoeft niet volgens UGCN. De emulsies van de moderne antibiotica zijn zo gebouwd dat de dragerstoffen de werkzame delen vanzelf daar naartoe brengen waar ze hun werk moeten doen.

  • Het is raadzaam om na de behandeling de speenpunt nogmaals te ontsmetten door te sprayen of te dippen.

  • Het is belangrijk de behandeling ook echt af te maken. Dit voorkomt herhalingsgevallen en antibioticaresistentie.

  • Kemperman kiest in overleg met zijn dierenarts standaard voor de dubbele aanpak. Bij het bijspuiten aan de nek is het van belang dat dit op de juiste plek en met een scherpe naald gebeurt.

  • Met plannen en behandelen alleen ben je er nog niet. Het is zaak de koe te volgen. Zodra de melkcontroleoverzichten op de deurmat vallen, kijkt Kemperman specifiek naar het celgetal van behandelde koeien. Ook managementprogramma’s geven overzichten met daarop de laatste twee celgetallen voor en de eerste twee na het behandelen; aan de hand daarvan valt af te leiden of koeien genezen zijn.

  • Het evalueren gaat ook verder dan dierniveau. Na verloop van tijd kunnen verschuivingen optreden in kiemen die voorkomen op het bedrijf. Dierenarts Martijn Mensink: “Het is goed om eens per jaar te kijken of het plan nog voorziet in de meest voorkomende gevallen of dat het bijgesteld moet worden.”

  • Bij Kemperman is de uiergezondheid dus al jaren aandachtspunt, omdat hij er moeilijk grip op krijgt. De maatschap heeft veel energie gestoken en adviezen van verschillende deskundigen opgevolgd. Zo resulteerde een natte melkmeting in aanpassingen als kalk in de boxen, melkhandschoenen, alcoholhoudende desinfectiedoekjes en een ander dipmiddel (4XLA). Dit hielp niet afdoende en Kemperman hoopte dat de komst van een nieuwe melkstal de situatie zou verbeteren. Dat was niet het geval, dus hebben ze onlangs een uitgebreide natte melkmeting laten doen. Daar kwamen slechts een paar kleine aanpassingen uit naar voren. Zo is het vacuüm 1,5 kPa verlaagd, de rustfase in het vacuüm verlengd, de afname sneller (van 350 naar 400 cc) en de boxen voorzien van zaagsel in plaats van stro.

    Nu is alles op orde en valt het aantal mastitisgevallen mee. Toch durven de ondernemers nog niet te juichen. Dierenarts Martijn Mensink: “We hebben nog niet alles in beeld. Het planmatig aanpakken heeft tot nu toe echter zeker bijgedragen in het succes.”

Laatste reacties

  • no-profile-image

    huub

    23 gevallen in een half jaar op een koppel van 95 koeien, dat is niet mis! Misschien brengt het gebruik van Fleckvieh verbetering..(?)

  • no-profile-image

    J van malestein

    Mastitis is vervelend en er spelen veel factoren een rol melk uit liggen is bij ons het probleem allereerst is elke dag kalk strooien een vereisten de boxen worden 5x op een dag schoon gemaakt en dan kunnen we het in de hand houden

Of registreer je om te kunnen reageren.