Rundveehouderij

Achtergrond 663 x bekeken laatste update:16 mrt 2016

Management ontbreekt vaak bij jongveeopfok

Jongvee is nog te vaak sluitpost op grotere melkveebedrijven. Gezondheidsproblemen in de eerste maanden van een kalf werken het hele leven door en hebben ook hun weerslag op de verwachte melkproductie van een koe.

Op groeiende bedrijven ligt de ­focus op het melkvee. Het management richt zich daarop en de huisvesting wordt erop aangepast. Vervolgens ontstaat de vraag: wat te doen met het jongvee? Aanpassingen van de oude ligboxenstal voor huisvesting van jongvee ligt voor de hand. Maar daar blijft het op veel ­bedrijven bij. In de bedrijfsvoering wordt niet meer aandacht aan het jongvee besteed dan in de oude situatie. Terwijl de melkkoeien van de toekomst ook goed moeten worden gemanaged, om na twee jaar opfok als topsporters aan hun lactatie te beginnen.
Uiteindelijk wil elk bedrijf zo min mogelijk jongvee heel goed opfokken, dus moeten de dieren voldoende snel groeien, niet of nauwelijks ziek worden en zeker niet uitvallen. Het uitbesteden van de opfok is een optie, maar niet voor iedereen weggelegd. Het mag zeker niet worden gezien als mogelijkheid om anderhalf jaar lang helemaal geen zorgen over het jongvee te hebben (zie kader Uitbesteding monitoren, onderaan dit artikel).

Veehouder is te gemakkelijk

Een gezonde melkkoe fokken, begint al bij een gezond kalf. Daar blijft volgens dierenarts Jan Hulsen van Vetvice/CowSignals nog te veel liggen: “Er is bijvoorbeeld opvallend veel tolerantie voor diarree, dun op de mest wordt gewoon geaccepteerd. Maar dat is in feite al een ziek kalf. Een gezond kalf heeft vaste mest. Ga je pas optreden bij een kalf dat niet meer drinkt, dan ben je te laat.”

Vetvice deed onderzoek op 20 melkvee­bedrijven naar de kalveropfok. Op 10 bedrijven waren veel diarreeproblemen, 10 bedrijven hadden weinig problemen en één daarvan had helemaal geen problemen. Juist dat bedrijf besteedde veel aandacht aan de hygiëne bij het jongvee. De huisvesting was apart van het andere vee, er werd gebruik ­gemaakt van aparte kleding en laarzen voor de jongveestal en er werd niet van oude naar jonge dieren gelopen.

De grootste infectiedruk op melkveebedrijven ligt bij de kalveren. Aparte huisvesting met een ­eigen toegang en bij ­voorkeur eigen kleding en laarzen, verlaagt deze infectiedruk aanzienlijk.<br /><em>Foto: Ronald Hissink</em>
De grootste infectiedruk op melkveebedrijven ligt bij de kalveren. Aparte huisvesting met een ­eigen toegang en bij ­voorkeur eigen kleding en laarzen, verlaagt deze infectiedruk aanzienlijk.
Foto: Ronald Hissink

 

Deze punten verlagen de infectiedruk binnen bedrijven aanzienlijk, net als het reinigen en ontsmetten van de eenlinghokjes. Dit gebeurt op te veel bedrijven te laat of niet. Op dezelfde dag dat een eenlinghok leeg komt, moet deze ook worden gereinigd en ontsmet. Daarnaast is op veel bedrijven sprake van overbezetting bij de jongste kalveren, doordat er onvoldoende individuele huisvesting is. Meestal is er wel de mogelijkheid om hokjes uit te mesten, maar vervolgens minstens een week leeg laten staan, is er vaak niet bij. Vetvice adviseert voor het aandeel eenlinghokjes 10% van het aantal melkkoeien, uitgaande van 14 dagen individuele huisvesting.

Hygiënedrempel

Wat ook vaak beter kan, is de insleep van ziekten vanuit de rest van de veestapel. Bij jongvee moet een hygiënedrempel liggen in de vorm van een vaste plaats met bij voorkeur aparte overall en laarzen bij de ingang van de stal. Dit kan bijvoorbeeld via de voerkeuken zijn. Deze moet dan wel bereikbaar zijn zonder een groep kalveren te kruisen.

Op veel bedrijven is een dergelijke hygiënedrempel zonder al te veel problemen in te passen, maar ontbreekt het vooral aan inzicht van de noodzaak daartoe. Dit zijn overigens ook aandachtspunten bij para-tbc- en salmonellabestrijding.

Te vaak overbezetting

Niet alleen bij de eerste weken in individuele huisvesting, maar ook bij de groepshuisvesting ligt overbezetting op de loer. “Uit diverse onderzoeken blijkt dat een groep niet groter dan zes tot acht kalveren moet zijn. Veehouders kunnen het beste maandgroepen samenstellen, ook al zitten er minder kalveren in zo’n groep. Meer dan acht kalveren geeft te veel sociale druk, waarbij de kleinsten niet goed mee kunnen”, stelt Hulsen.

Op grotere bedrijven is de infectiedruk altijd hoger, doordat er meer jonge en dus vatbare dieren zijn en vrijwel nooit meer sprake is van leegstand. Ook lijkt het gebruik van drinkautomaten mee te spelen. Daarbij worden er te gemakkelijk meer kalveren in een hok bijgezet.

<em>Foto: Henk Riswick</em>
Foto: Henk Riswick

 

Voor optimale huisvesting met drinkautomaten zijn vier hokken nodig, waarvan minstens drie een drinkpunt moeten hebben. Een hok voor de eerste maand, een voor de tweede, een hok met bijna gespeende en ­gespeende kalveren en een leegstaand hok. Op grote bedrijven vormt de drinkautomaat niet altijd een voordeel ten opzichte van handmatig voeren. De automaat moet een veehouder passen en vraagt net zo goed tijd om de boel schoon en goed draaiend te houden.

Gebreken aan huisvesting

Ook aan de huisvesting zelf schort het nog te veel. De kalveren liggen op stro in plaats van erin. En een dunnere laag stro is vaak vochtiger, waardoor het kalf nat wordt en meer warmte verliest. Dit brengt ook stress met zich mee, wat de weerstand verlaagt.

Daarnaast zijn veel stallen onvoldoende geventileerd of te tochtig of beide. Dat maakt kalveren vatbaarder voor luchtwegaandoeningen zoals hoest en longontsteking.

Verder worden ze nog te vaak te zuinig ­gevoerd. Een kalf van drie weken oud heeft minimaal één kilo droge stof uit melkpoeder of melk nodig. Bij voorkeur meer, omdat elke 100 gram direct in de groei gaat. Tel daarbij op dat dit kalf bij een temperatuur onder de 15 graden al extra energie moet steken in zichzelf warm houden. Een goede groei in de eerste weken geeft in de gehele latere opfok een voorsprong, waardoor het dier gemakkelijk op de gewenste leeftijd en het gewenste gewicht zal afkalven en in de eerste lactatie een paar honderd liter meer zal geven.

Monitor ouder jongvee

Het optimale moment om kalveren te spenen, is het moment waarop ze minimaal tweemaal het geboortegewicht wegen. Hulsen adviseert liever minimaal 100 tot 110 kilo, omdat die kalveren meer hebben bij te zetten en optimaal genetisch zijn geprimed voor een hoge melkproductie.

<em>Foto: Penn Communicatie</em>
Foto: Penn Communicatie

 

‘Meten is weten’ is ook in de opfok het credo. Een meetlint en liever een weegschaal, is een must voor een goede opvolging. Vooral om te monitoren of de dieren de groei halen tijdens de melkperiode, voldoende ontwikkeld zijn bij spenen en het optimale inseminatiegewicht van minimaal 370 kilo ook daadwerkelijk op de gewenste leeftijd halen. Vervolgens moeten de pinken blijven doorgroeien en het liefst 600 kilo of meer wegen bij afkalven.

Dit is alleen haalbaar met goed voeren: een goed jongveerantsoen en bij weidegang de dieren niet te laat in het najaar op de wei laten, om het gras kort de winter in te krijgen.

Hulsen ziet geen voordeel en veel nadelen in synchronisatie van de bronst bij pinken. Hij meent dat hier heel veel maatschappelijke weerstand tegen is. De sector moet zich ook realiseren dat het op deze wijze ook met dieren fokt die geen tochtigheid laten zien.

Introductie vaarzen verlaagt stress

De introductie van vaarzen in de melkveestal vraagt extra aandacht. Om stress te voorkomen moeten vaarzen minstens vier weken voor de afkalfdatum bij de melkkoeien worden geïntroduceerd. Dit kan bijvoorbeeld door de vaarzen bij de droge koeien te zetten. Als de groep en de stalruimte groot genoeg is, kan een aparte groep worden overwogen, omdat vaarzen toch nog een eigen voerbehoefte hebben.

De introductie van vaarzen bij de melkkoeien is stressvol. Een groep vaarzen eerst combineren met droge koeien verlaagt de stress, omdat de droge koeien de vaarzen leren ranghogere dieren te ontwijken.<br /><em>Foto: Hans Banus</em>
De introductie van vaarzen bij de melkkoeien is stressvol. Een groep vaarzen eerst combineren met droge koeien verlaagt de stress, omdat de droge koeien de vaarzen leren ranghogere dieren te ontwijken.
Foto: Hans Banus

 

“Toch denk ik dat een aparte hoogdrachtige vaarzengroep als uitgangspunt niet helemaal optimaal is. Na kalven moeten ze zich ook staande houden tussen de koeien, tenzij er dan ook een vaarzengroep is”, vindt Hulsen. Hij ziet liever dat het uitgangspunt is dat tijdens de opfok jongvee ook leert om zich in te passen in een nieuwe groep en dat het dan contact heeft met oudere dieren.

Om de introductie verder soepel te laten verlopen, is het verstandig om vaarzen ook te laten wennen aan de melkstal of melkrobot. Dit voorkomt uiteindelijk bange vaarzen die als allerlaatste de melkstal moeten worden ingejaagd, of de eerste dagen naar de robot moeten worden gebracht. Maar die kennismaking met de melkstal moet niet gebeuren door de vaarzen voor het afkalven volledig met de melkkoeien te laten meelopen. Het melkveerantsoen is te rijk voor een vaars, die kan daarmee in de laatste weken van de dracht nog vervetten.

Uitbesteding monitoren

Voor grotere bedrijven kan het uitbesteden van jongvee een optie zijn om die diergroep toch de aandacht te geven die ze nodig heeft.
De huidige opfokkers hebben zich gespecialiseerd en daardoor veel kennis van zaken en veel meer beheersing over hun arbeidsplanning. Bijkomend voordeel is dat een opfokker alleen maar ruwvoer voor jongvee hoeft te telen.

Uitbesteden is geen kwestie van kalveren wegbrengen en ze na twee jaar wel weer terugzien. Over opfok moeten goede afspraken worden gemaakt en beide partijen moeten elkaar daarop kunnen aanspreken. De melkveehouder moet weten hoe het jongvee terugkomt, de opfokker moet eisen kunnen stellen aan de eerste twee weken op het melkveebedrijf. Hij krijgt namelijk met de gezondheidsproblemen te maken als een melkveehouder de eerste opfokdagen niet goed voor elkaar heeft. In een contract moeten onderwerpen als groei, voeding, inseminatiemoment, afkalfleeftijd, 
conditie bij afkalven, klauwgezondheid en -verzorging en scheren voor introductie op het melkveebedrijf op papier worden vastgelegd.

Uitbesteden is echter niet voor elke melkveehouder weggelegd. Hij moet zijn dieren kunnen loslaten en vervolgens ook goed contact houden met de opfokker.

Of registreer je om te kunnen reageren.