Rundveehouderij

Achtergrond 989 x bekeken

’Voercentrum biedt voordeel’

Steeds meer veehouders maken gebruik van de diensten van het Voercentrum. Veehouders verkopen hun ruwvoer aan het Voercentrum en kopen vervolgens een compleet rantsoen terug.

Het gaat erg goed met het Voercentrum. Dat zegt Klaas Struiksma, een van de drie eigenaren van het Voercentrum. Deelnemers lijken de financiële en praktische voordelen van het systeem te zien. Samen met Camiel Hoogland en Sijbren

Mulder startte Struiksma zo’n anderhalf jaar geleden met dit voor Nederland nieuwe voerconcept. Veehouders leveren hun ruwvoer aan het Voercentrum en kopen vervolgens een compleet rantsoen terug. In 2010 werd gestart met een groep van zes melkveehouders. Nu ontvangen dagelijks 28 melkveehouders voer afkomstig van het Voercentrum.

Het Voercentrum heeft concrete plannen voor twee nieuwe vestigingen in Dokkum en Workum. De bedoeling is om 1 mei dit jaar van start te kunnen gaan. Eerdere plannen voor een tweede voercentrum bij Bolsward liepen vast op de aanvraag van de benodigde vergunningen. ”De eerste vergunningaanvraag voor de vestiging in Leeuwarden verliep zo soepel, dat we de tweede keer wat zijn verrast”, legt Struiksma uit. Voor de twee nieuw te bouwen centra ziet het er volgens hem dit keer goed uit. De uitbreiding is dan ook hard nodig aangezien tien bedrijven in de wacht staan.

Deelname aan het Voercentrum levert melkveebedrijven volgens Struiksma tussen de 0 en 3 cent per liter melk op. Dat blijkt uit onderzoek dat vorig jaar onder de eerste zes deelnemers is uitgevoerd. ”Hierin zijn de voordelen wat betreft afschrijving op machines, sleufsilo’s en de post eigen arbeid nog niet meegenomen.” Het hangt volgens Struiksma vooral af van wat een melkveehouder uit zijn voer haalt. De verschillen zijn groot. Met hetzelfde rantsoen realiseert de ene melkveehouder een melkproductie van 33 liter, terwijl de andere veehouder met exact hetzelfde rantsoen uitkomt op een productie van 24 liter. ”Het verschil zit hem in de bedrijfsomstandigheden.”

Om de deelnemers aan het Voercentrum beter van dienst te kunnen zijn bedachten de eigenaren de functie van ’bovinoloog’. Ze kozen bewust niet voor de titel rundveespecialist om associaties met bestaande adviesbureaus te voorkomen. Samen met de nutrionist moet de bovinoloog de melkproductie van deelnemers naar een hoger plan tillen. Het verbeteren van de rantsoenefficiency speelt hierin een belangrijke rol. ”Dit kengetal is in de Nederlandse melkveehouderij nog relatief onbekend, maar heeft een enorme invloed op het inkomen. Het is belangrijk om te weten hoeveel melk je haalt uit een kilo drogestof voer.”

Melkveehouders lopen volgens Struiksma bij het Voercentrum geen risico wat betreft diergezondheid. ”In tegendeel. We zien dat onze deelnemers juist minder last hebben van mastitis, klauwproblemen. Daarbij daalt op veel bedrijven het celgetal en neemt de vruchtbaarheid toe.”

Het Voercentrum is GMP-gecertificeerd en heeft een noodplan voor calamiteiten. Alle deelnemers houden een aantal balen kuilvoer op voorraad. Mocht er een ernstige dierziekte als mkz uitbreken dan beschikken veehouders over een kleine voorraad voer om een korte periode te kunnen overbruggen. ”Voor dit soort situaties hebben we een balenpers achter de hand. Op die manier kunnen we het voer toch nog bij de brievenbus van de melkveehouders afleveren.”

De variatie in bedrijfsgrootte van deelnemers aan het Voercentrum is groot. Het aantal koeien varieert van 40 tot 220 stuks. Struiksma verwacht dat het aantal Voercentra komende jaren flink kan gaan uitbreiden. ”We komen op het juiste moment. Veel melkveehouders zitten tot over hun oren in het werk richting 2015. De bedoeling is om in 2013 uit te breiden naar zes locaties. Daarbij willen we in 2013 een franchiseconcept uitrollen. De uitdaging is om het aantal Voercentra in Nederland vervolgens jaarlijks te verdubbelen.”

Of registreer je om te kunnen reageren.