Rundveehouderij

Achtergrond 2128 x bekeken

Albert Prins: vaarzen van Starship zijn overlevers

De roodbonte Kampen-stier Starship kreeg in april zijn eerste fokwaarden en nestelde zich met 112 punten direct in de exterieurtop. De Classic-zoon fokt robuuste, brede koeien met een ruime conditie. Zijn hoge exterieurscore laat zien hoe het fokdoel aan het verschuiven is. ”We moeten echter wel opletten dat we de melk erbij houden”, waarschuwt fokker en doorgewinterd veebeoordelaar Albert Prins uit Hasselt.

In de ligboxenstal van de maatschap Prins lopen zeven Starship-vaarzen tussen de zwartbonte koppelgenoten. Albert Prins werkt er een uit de box: een robuust rond exemplaar met een brede rug, veel breedte in het kruis en een compact uiertje eronder. Op hoge benen stapt ze weg. ”Persoonlijk zie ik liever iets meer snit, iets meer lengte en vrouwelijkheid in een koe”, zegt Prins terwijl hij even wat stront uit een box wipt. ”Maar dit zijn wel overlevers. Koeien waar je geen omkijken naar hebt, vlot drachtig en weinig klauwproblemen.”

Dat soort harde rouwdouwers had hij de afgelopen jaren nodig. Vanwege een geplande bedrijfsverplaatsing werd de veestapel wel uitgebreid, maar werd er niet meer geïnvesteerd in extra capaciteit op het bedrijf. De ligboxenstal zit met 180 melkkoeien dan ook meer dan vol en het melkvee staat bovendien jaarrond op stal. Dan blijven alleen de sterksten overeind, aldus Prins. ”Ze selecteren zichzelf uit.”

Albert Prins (32) boert in maatschap met vader Arie (59) en moeder Bertha (55) in Hasselt bij Zwolle. Het Overijsselse melkveebedrijf telt 180 koeien en evenveel jongvee, en beslaat in totaal 144 hectare. Hiervan ligt 80 hectare aan huis en 64 hectare een paar kilometer verderop in Nieuwleusen. Daar staat 44 hectare mais; de rest is gras. Mais, gras (’s winters kuil, ’s zomers vers) en een beetje brok in de melkstal, daarop wordt jaarlijks 1,6 miljoen kilo melk geproduceerd voor CZ in Rouveen.

Tien jaar geleden, toen Albert net van school kwam, molk de familie al 1 miljoen kilo melk. Destijds pakte hij alleen de stieren met de hoogste index. ”Dat leerden we op school. Koeien met hoog Inet, daar moest je verder mee. ” Maar na een jaar of vier, vijf bleek dat dat soort koeien het niet vol konden houden. Er moest een spiertje extra bij. Hij kwam erachter dat een goede paring met een middelmatige stier beter kan uitpakken dan een middelmatige paring met een goede stier.
De laatste vijf jaar werkt hij vooral aan de gezondheidskenmerken: een stier mag wat hem betreft zelfs negatief scoren voor melkproductie, als daar maar 110 celgetal tegenover staat. ”Onder de huidige omstandigheden hebben we sterke beesten nodig, zonder voedingsstoornissen, uier- of klauwproblemen.”

Bij de paringen zijn de families van zowel de koe als de stier het uitgangspunt. Een stier kan op papier hoog scoren, als Prins de koefamilie niet kent, komt-ie er niet in. ”Een koefamilie goed houden, is lastig. Met een verkeerde stier kun je een goede familie heel snel kapot maken.”
Starship heeft hij gefokt uit Elsje 420, een Faber-dochter uit de Laurenzo-dochter Elsje 366. Ergens in haar afstamming zat de roodfactor en het leek Prins wel leuk om er een roodbonte uit te fokken. De eerste twee pogingen bleef het nageslacht nog zwartbont (een vaarsje van Lentini en een stiertje van Stadel), maar de derde keer was het raak: een roodbont vaarskalf van Faber. Dat werd Starships moeder. Zij heeft vijf keer gekalfd, wat naast Starship nog vier vaarsjes opleverde.
Volgens Prins beginnen de Elsjes allemaal rustig als vaars. ”Maar elke lactatie komt er een duizend liter bij.” Ook Elsje 420 kon de productie makkelijk aan; de lactatiewaarde lag elke lijst zo rond de 110. Ze kreeg als vaars 85 punten en als tweedekalfs 87. Haar celgetal was ook altijd best, tussen de 52 en de 120. ”Daarom baal ik er ontzettend van dat Starship maar 94 scoort voor uiergezondheid. Vooral omdat ik daar zelf altijd heel kritisch op ben. Stieren met minder dan 105, 106 voor uiergezondheid komen er bij mij niet in.”

Het heeft waarschijnlijk te maken met Starships ronde, robuuste bouw, vermoedt Prins. ”Zijn Triple-A score is 456, daarvan zijn er wereldwijd maar heel weinig. Maar bij al dat soort ronde stieren zit het melktypische, vrouwelijke aspect er wat te weinig in en dat werkt dus ook door op andere vrouwelijke aspecten zoals het uier en melkproductie.” Qua melkproductie (+ 142 kilo) is Starship ook geen uitschieter, wel zijn de gehalten met + 0,16 voor vet en + 0,03 voor eiwit prima.
Starship scoort 108 voor frame, 112 voor robuustheid, 110 voor uier en 107 voor benen. De hoge exterieurscore geeft ook aan dat Starship heel constant fokt, met weinig uitschieters. ”Als je meer kracht en macht in de koeien wilt, moet je niet gaan kruisen – gebruik Starship maar”, lacht Prins. De exterieurcijfers laten zien dat inspecteurs tegenwoordig een rondere bouw, meer balans in de koe, weer meer waarderen. Probleemloze koeien die straks op de grote bedrijven in het quotumloze tijdperk overeind kunnen blijven. ”Maar we moeten nu niet te ver doorslaan; want dan hou je alleen ronde propjes zonder melk over”, waarschuwt de fokker, die de afgelopen twee jaar werkzaam was als inspecteur bij KI Kampen.



En van melk moet je het wel hebben. De 180 koeien van de maatschap geven gemiddeld zo´n 8.900 kilo melk, met 4,43 vet en 3,54 eiwit. Hiervoor staat Albert dagelijks 7,5 uur in de melkput, want de koppel wordt nog gemolken met een 2 x 6 visgraat melkstal. Hopelijk gaat dat volgend jaar veranderen, als Albert kan gaan bouwen op de locatie in Nieuwleusen. Hij fantaseert al over een grote buitenmelker, waarmee hij met vier rondjes in een uurtje klaar is. En dat hij straks ook weer móóie koeien kan melken, want het oog wil ook wat. Prins was niet voor niks in 2008 en 2009 nationaal kampioen veebeoordelen. ”Als ik moet kiezen tussen een goede koe en een mooie, melk ik net zo lief de mooie.”

Zijn veestapel bestaat nu uit ’overlevers’. Prins wil weer de rankere, melktypische kant op. Op de Starship-dochters gebruikt hij daarom uitsluitend Goldwyn-zonen (Danillo, Pentagon, Dalie Boy) om het fraaie melktype weer terug te krijgen. In het kalverhok staan ook ranke nazaten van Pleasure, Fever en Survivor. De kersverse voorzitter van KI Kampen – hij nam in juni de voorzittershamer over van zijn oom Henk Prins – gebruikt rietjes van allerlei organisaties. ”Maar ik moet zeggen: wat ik in het verleden aan proefstieren van KI Kampen heb gebruikt, is er eigenlijk allemaal nog. Ze kunnen als vaars soms iets tegenvallen, maar ze boeken in latere lijsten wel enorm progressie en ze blijven lopen.”

Tussen de nuchtere kalveren zitten opvallend veel vaarsjes. Prins heeft daar een eigen inseminatiestrategie voor: ”Ik insemineer altijd zo vroeg mogelijk in de tocht. Vrouwelijke zaadcellen zwemmen langzamer, maar ze houden het langer vol. Het kost me gemiddeld drie rietjes per drachtigheid, maar met gesekst sperma heb je dat aantal ook nodig en dat is dubbel zo duur.” Hij lijkt die strategie overigens consequent door te voeren. Albert en Jolanda Prins hadden al twee dochtertjes en onlangs kwam daar nog een derde zusje bij.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.