Rundveehouderij

Achtergrond 339 x bekeken

Melkveekoplopers zijn er in soorten en maten

De beste melkveehouders zijn niet per se die met het grootste quotum of de hoogste productie per koe. Het verschil wordt onder meer gerealiseerd door de verdiensten buitenshuis. Werken voor anderen levert soms meer op dan meer melken.

De best presterende bedrijven in de melkveehouderij kunnen wel 10 cent bruto meer overhouden op een kilo melk dan de bedrijven in de staart van het peloton. Dat blijkt uit een analyse die Alfa Accountants heeft gemaakt op basis van een steekproef onder duizend bedrijven uit het Bedrijfs Analyse Systeem.

Het verschil kan bij een bedrijf met een gemiddelde productie van 650 ton een verschil opleveren van twee keer een modaal bruto inkomen.

De omvang van het quotum is zeker niet bepalend voor de prestaties, zo blijkt. In 2007 hadden de beter presterende bedrijven gemiddeld 34000 kilogram quotum meer dan de staartgroep. Maar in 2009 deden de bedrijven met heen kleiner quotum het gemiddeld juist beter. In 2008 hadden de best en de slechtst presterende bedrijven ongeveer evenveel quotum.

Uit de analyse van Alfa blijkt dat de bedrijven die gemiddeld meer quotum aankopen dan de collega’s eerder in de staartgroep terechtkomen dan in de kopgroep.

”Een mogelijke verklaring is dat bedrijven die (snel) groeien moeite hebben de technische resultaten op peil te houden”, aldus Alfred Beeftink en Herald Aalderink van Alfa. ”We spreken onze zorg uit over de financiële resultaten van de groep melkveehouders die na de afschaffing van de melkquotering fors en snel willen groeien in een tijdperk waarin de melkprijs wellicht onder druk staat.”

Bedrijven in de staartgroep besteden meer werk uit en hebben meer zaken geautomatiseerd.
De grootste verschillen tussen de kopgroep en de staartgroep zit hem niet in de gerealiseerde melkopbrengst (in euro’s per 100 kilo). De verschillend worden met name gemaakt in omzet, aanwas, voerkosten en veekosten. Dat is ook logisch, omdat dat de posten zijn waar de melkveehouder meer invloed op kan uitoefenen.

Koplopers geven gemiddeld minder geld uit aan externe arbeid, loonwerkkosten en onderhoudkosten. Zij blijken een deel van hun geld buitenshuis te verdienen. ”Ondernemers in de kopgroep zijn zich ervan bewust dat er soms meer rendement zit in werk voor derden dan in extra liters melken.”

Des te opmerkelijker is dat de koplopers gemiddeld vijf hectare grond meer hebben, maar het melkveebedrijf als zodanig kleiner en extensiever is.

De kopgroep is onder te verdelen in structurele koplopers en bedrijven met een piekjaar. Ongeveer de helft van de koplopers slaagt er in dat enkele jaren achtereen vol te houden.

In hun conclusie zeggen Beeftink en Aalderink dat het blijkt dat de betere ondernemers niet kiezen voor een hoge melkproductie per koe, ”maar dat meer zien als een resultaten van de beslissingen die zij nemen.

De staartgroep kiest mogelijk juist voor een forse productie per dier vanwege intensiviteit op beperkte stalcapaciteit, maar slaagt er niet in dit te vertalen naar een beter resultaat.”
De afschaffing van het melkquotum vereist een verandering van de strategie. Het belang van saldo en bruto overschot per kilogram melk verschuift naar saldo en bruto voerschot per melkkoe of dierplaats.

Dat zal de positie van de huidige koplopers niet veranderen, zeggen Beeftink en Aalderink. ”Voor de koplopers ligt er nog wel de uitdaging de voorsprong die er is in bruto overschot per liter melk om te zetten in bruto overschot per arbeidsuur.”

Of registreer je om te kunnen reageren.