Rundveehouderij

Achtergrond 495 x bekeken

Goede bedrijfsresultaten, uitgangspositie kan beter

De Nederlandse melkveehouderij heeft, gezien de resultaten in de laatste vijf jaar, een uitstekende positie om de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien. Dit constateert melkveehouderij-deskundige van Rabobank Nederland Hans de Bie.

”In de voorbije vijf jaren heeft de melkveehouderij 9 cent per kilo melk gereserveerd, een buitengewoon goede kasstroom. Uitgaande van de bedrijfseconomische slijtage bleef gemiddeld 4 cent over.” Toch staat een niet onaanzienlijk deel van de melkveebedrijven er niet heel erg goed voor, constateert hij ook.

”Een gemiddeld bedrijf, met een gemiddelde financiering (1 euro per kilo melk) en een oude stal kan het behoorlijk lastig krijgen bij de eerstvolgende grote vervangingsinvestering. Als ze in de net geschetste situatie zitten, betekent dit dat ze in de voorbije jaren te weinig hebben gereserveerd.” De vraag is hoe dat komt.

Te hoge bewerkingskosten
De Bie heeft niet voor alle individuele situaties een pasklaar antwoord, maar hij noemt een aantal omstandigheden waardoor het in het verleden nogal eens fout ging. ”Sommige boeren kampen met te hoge bewerkingskosten, doordat ze zowel veel machines hadden staan als dat ze de loonwerker vaak inzetten. De kapitaalslasten zijn vaak te hoog. Dat kan ook door te veel quotumaankoop of grondaankoop.”

Het achterliggende probleem is dat er vaak te weinig werd doorgedacht. Er werd onvoldoende afgewogen welke investering wel zinvol was en welke niet. De Bie: ”Ik denk dat investeringen nu vaak beter worden overwogen. Men kijkt meer naar het rendement dan naar de vraag: hoe kan ik het betalen. Dat laatste was vroeger nogal eens het geval.”

Financiers, die ook wel iets strenger zijn geworden, stellen volgens De Bie terechte vragen. ”Als veehouders nu komen met investeringsplannen, en ze blijken de afgelopen jaren weinig of niet te hebben gereserveerd, dan komt altijd de vraag: waar is de kasstroom in de afgelopen jaren gebleven?”

Krap
Het antwoord op die vraag kan verschillende richtingen opgaan. Het kan dus zijn dat er, zoals geschetst, niet erg doordacht is geïnvesteerd. Bijvoorbeeld in te veel machines, grond of in quotum. Het kan ook zijn dat melkveehouders in hun eerdere investeringsbegrotingen te weinig rekening hebben gehouden met tegenvallers, zowel zakelijk als privé, terwijl daar ook buffer voor nodig is. ”We merken dat melkveehouders in hun investeringsbegrotingen de laatste jaren vaak zelf een melkprijs van 32 cent hanteren als uitgangspunt en dat ze in de praktijk rekenen met slechts zo’n 4 cent per kilo (ofwel 25.000 euro) aan onttrekkingen voor gezin en 5 cent per kilo voor reserveringen. Dat is krap, zeker als je ook nog wilt groeien.” In dit geval zou je als ondernemer meer buffer in betalingscapaciteit aan moeten houden, zegt de Bie.

Een andere reden waarom veehouders soms minder goed uitkomen met hun begroting, is dat ze onvoldoende rekening houden met tegenvallers. Bij nieuwbouw en verbouwingen gaat het soms mis omdat te weinig rekening wordt gehouden met uitloop van werk en kosten, weet De Bie. De praktijk leert dat dit vooral voorkomt bij de aanbouw van een nieuw stalgedeelte bij een ouder deel. Ook wordt niet altijd voldoende rekening gehouden met schommelingen in de melkprijs. Tot slot, maar niet in de laatste plaats, gaan veehouders vaak voorbij aan het feit dat het saldo per kilo melk in het eerste jaar na nieuwbouw en/of schaalvergroting gemiddeld genomen eerst daalt.

Efficiënter
De Bie: ”Er wordt wel vaak gezegd dat een nieuwe stal efficiënter werkt en leid tot kostenbesparingen, maar de praktijk leert dat het in eerste instantie vaak andersom werkt. Zowel de veehouder als zijn koeien moeten wennen aan de nieuwe situatie. In de regel kost het een jaar of langer voordat productie, voerefficiëntie en rendement weer zijn zoals ze eerst waren.”

Echte schaalsprongen, bijvoorbeeld van 70 naar 140 koeien, zijn voor de meeste veehouders dan ook niet de beste manier van groeien, weet de Rabo-deskundige. ”Bij een verdubbeling van de bedrijfsomvang gaan opeens heel andere mechanismen werken en worden heel andere vaardigheden van de boer als ondernemer geëist dan bij een geleidelijke groei. Daarbij is een geleidelijke groei ook financieel gezien beter te beheersen.” Bedrijven die een schaalsprong wagen, hoeven niet gegarandeerd in de problemen te komen. Toch moet daar meer worden bijgestuurd en kost het meer tijd om de zaken financieel weer op orde te krijgen dan bij de gestage groeiers, stelt hij vast.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.