Rundveehouderij

Achtergrond 742 x bekeken

FrieslandCampina: melksamenstelling aanpassen aan eindproduct

FrieslandCampina noemt het een omslag van het traditionele zuivelmodel. Er moet in de toekomst vanuit de markt worden gekeken naar welke grondstof nodig is voor een bepaald eindproduct.

Leden-melkveehouders kunnen door te sturen op de samenstelling van geleverde melk rekeninghouden met het te produceren eindproduct. Duidelijk is dat het produceren van kwalitatief hoogwaardige melk met goede vet- en eiwitgehaltes straks niet meer voldoende is.

Volgens FrieslandCampina-manager Ben Scholman kan gedacht worden aan de productie van melk met een betere caseïne/wei-verhouding voor verwerking in een kaasfabriek, of aan een melkstroom speciaal geschikt voor de productie van babyvoeding. Melkveehouders in de omgeving van een fabriekslocatie kunnen hun bedrijfsmanagement op deze manier aanpassen aan de markt. FrieslandCampina is volgens Scholten druk bezig verschillende opties door te rekenen. Het gaat volgens hem om een ontwikkeling naar de toekomst toe. ”Hiermee is een enorme winst te behalen.”

Campina-merkmelk is een goed voorbeeld van deze zienswijze. Lastig punt is dat het Campina-merkmelkproject, dat zo’n vijf jaar geleden is gestart, inmiddels is gestrand. ”Was onverzadigd vetzuur bij de start van het project nog een toverwoord, nu hoor je er weinig meer over.”

Aan een hoger gehalte aan onverzadigde vetzuren in de melk, zoals bij de Campina merkmelk het geval, is volgens FrieslandCampina nu geen behoefte meer. Vanaf september is er daarom overgestapt op een ander concept. Door de verstrekking van melkmineralen aan de koeien bevat de geproduceerde Campina melk nu meer jodium en biotine. ”De monsters die in de eerste twee maanden zijn binnengekomen laten ook echt zien dat het gaat om andere melk”, aldus Scholman.

Melkveehouders komen volgens hem wel met de vraag hoe lang dit concept blijft bestaan. Veel veehouders hadden het vorige concept net goed in de vingers. FrieslandCampina heeft hier geen antwoord op, aangezien de markt voor de onderneming leidend is om wel of niet van een concept af te stappen. Duidelijk is dat onderneming en producent delen in het ondernemingsrisico.

Scholman omschrijft de omslag van het traditionele zuivelmodel als volgt: ”We moeten van een voorwaarts geïntegreerd coöperatiemodel naar een achterwaarts gedreven marktketen.” Dat betekent dat melkveehouders niet langer de RMO-wagen uitzwaaien, en dat vervolgens daarmee de kous af is. Melkproducenten blijven als het aan FrieslandCampina ligt langer verbonden aan de door hun geproduceerde melk. ”Leden moeten zich verantwoordelijk voelen voor het eindproduct.”

FrieslandCampina schetst verschillende scenario’s die in de toekomst mogelijk zijn. In de basis gaat het om het verleggen van het zogenoemde melk-ontkoppelmoment dat nu bij de meeste boeren nog ligt bij het wegrijden van de RMO. In een van de scenario’s wordt het melk-ontkoppelmoment achter de fabriek gezet. Melkveehouders kunnen de samenstelling van hun melk dan afstemmen op het doel. Het kostenvoordeel dat hiermee in de fabriek wordt behaald kan worden teruggebracht naar de betrokken leden. Het voordeel dat in de markt wordt gehaald, komt bij alle leden terecht.

Hij schets ook nog een ultiem scenario waar het melk-ontkoppelmoment achter de markt wordt gelegd. Melkveehouders zouden dan volledig delen in het ondernemerschap en risico van het eindproduct delen. ”Naast de huidige bedrijfsgegevens, moet dan ook rekening gehouden worden met marktgegevens en gegevens betreffende de productieprocessen in de fabriek. Melkveehouders zouden dan direct afhankelijk worden van het behaalde rendement in de markt” Scholman maakt duidelijk dan dit scenario niet snel ten uitvoer zal worden gebracht. Daarvoor zouden de statuten van FrieslandCampina moeten worden aangepast.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.