Rundveehouderij

Achtergrond 1151 x bekeken

Nieuw koecateringconcept: Aan tafel dames!

Adri en William Ros in Oudehorne (Frl.) besteden de opslag van het ruwvoer en het voeren volledig uit. In Israël werkt het gros van de veehouders volgens deze methode. Voor Nederland is ze uniek.

De bouw van een nieuwe stal is in volle gang bij Adri en William Ros. Vlakbij het riviertje de Tjonger hebben ze een bedrijf met 200 melkkoeien (1,6 miljoen kg quotum) en 130 hectare grond, waarvan 30 ha dijken en natuur en 24 ha maïs. De twee werken sinds 1985 samen. Ze hebben de taken verdeeld. Adri (50) doet het landwerk, melken en klauwen bekappen, William (43) de fokkerij, de koeien en het jongvee en hij regelt wat de koeien als rantsoen voorgeschoteld krijgen. “We zijn elkaars tegenpolen, maar het samenwerken gaat heel goed. Je moet goed met elkaar praten. In elke relatie is dat nodig,” benadrukt Adri Ros.
De twee hebben de handen vol aan het bedrijf, waarvoor ze dagelijks van half vijf tot dik zes uur in touw zijn. Er is hulp van losse krachten, maar ze besteden ook activiteiten uit om het werk rond te kunnen zetten. Dat geldt voor het voeren door loonwerker Ronald Bos uit Hoornsterzwaag. Vanwege de bouw is dat tijdelijk stop gezet. Als straks de stal klaar is pakken de twee de draad weer op, zoals ze dat ook de afgelopen tien jaar met een paar onderbrekingen hebben gedaan. De loonwerker voert niet alleen bij de twee broers, maar ook bij 23 andere melkveehouders. Dagelijks schuift hij bij 3300 koeien het voer voor de neus. Om alle deelnemende boeren langs te gaan legt hij 140 kilometer af.

Rust en structuur

Melkveehouder Adri Ros is meer dan tevreden. “Het bevalt prima. Het brengt rust en structuur in het dagelijks werk. Je hebt geen omkijken naar het voeren van de melkkoeien.” Overigens verzorgen de twee broers nog wel de droogstaande koeien en de kalveren zelf. “We willen het voeren niet helemaal los laten.” Die keuze heeft te maken met de verschillende soorten voer en met de restanten, die de droogstaande koeien en de kalveren krijgen. Maar er zit ook een strategische kant aan. “Er kunnen zich altijd situaties voordoen, waar je weer zelf aan de bak moet. Bijvoorbeeld als je er met de loonwerker niet uitkomt”. Hij voegt hieraan toe: “De loonwerker moet niet het idee krijgen dat we helemaal afhankelijk van hem zijn. Je moet een situatie hebben dat je elkaar nodig hebt, maar ook dat je elkaar scherp houdt. Dat is het gezondst,” zet de veehouder uiteen. Financieel is het voeren door derden behapbaar. Adri Ros pakt er het financiële rapport van de GIBO Groep bij. De voerkosten inclusief voerwinning liggen op 6 cent per kg melk, voor de bewerking is 13 cent nodig, waarvan 4 cent voor de loonwerker, 0,5 cent voor extra arbeid en 2,5 cent voor mechanisatie inclusief afschrijving. “Met die 13 cent doen we het netjes,” vindt Adri Ros. Grondkosten telt hij niet mee.

Bijzonder concept

Tegenover hem aan tafel zit Sijbren Mulder, die sinds 2009 samen met zijn compagnon Klaas Struiksma, het bureau Reflex Agrarisch Advies heeft. Samen met Camiel Hoogland uit Ferwerd hebben ze het voercentrum ontwikkeld, waarmee momenteel een proef loopt. Het centrum koopt al het ruwvoer van een melkveebedrijf op en levert een totaal rantsoen (ruwvoer en krachtvoer) retour. Het zorgt ervoor dat het melkvee dat rantsoen krijgt voorgeschoteld. Het voercentrum voert niet de kalveren tot één jaar in verband met het risico van het overbrengen van para-tbc.
Het is een bijzonder concept, waarvoor Adri Ros gaandeweg het gesprek steeds meer waardering krijgt. “Een mooi initiatief,” klinkt het bewonderend, maar meteen voegt hij er aan toe: “Zelf ben ik er nog niet aan toe om het voer helemaal buiten de deur te doen. Een boer wil zijn eigen voer verbouwen en zelf voeren of laten voeren. Dat is psychologisch zo.” Bovendien wil hij resultaten zien en met deelnemers praten. “Laat anderen maar eerst pionieren.”
Het concept van het voercentrum gaat een flinke stap verder dan het uitbesteden van het voeren aan een loonwerker. Elke deelnemer verkoopt zijn ruwvoer (gras en maïs) aan het voercentrum, dat het in eigen sleufsilo’s opslaat. “In principe hoeft de veehouder geen eigen opslag meer te bouwen,” merkt Sijbren Mulder op. “Handig,” oordeelt veehouder Adri Ros meteen, “Dan hou je ruimte op je bouwblok over om eventueel een grotere stal te bouwen.”

Acht tot tien centra

Het bouwen van silo’s door het voercentrum vergt een aanzienlijke financiering, maar daarvoor heeft de bank al de medewerking toegezegd. Daarbij maakt het voercentrum gebruik van opslagruimte die in Leeuwarden beschikbaar is. “Logistiek niet de meest handige plek, maar voor de proef werkt het.” Uiteindelijk wil voercentrum.nl naar acht tot tien voercentra toe, verspreid over Friesland, met elk circa 3.000 koeien. Dat komt overeen met de loonwerker die bij gebroeders Ros het voeren verzorgt. “Op zich een goed systeem. Het zou bij veel meer boeren passen. Het voercentrum gaat nog een stap verder. Het wordt extra interessant als je voor de keuze staat om een nieuwe sleufsilo te bouwen of als je moet kiezen voor het inhuren van arbeid.”
Voor een veehouder is het afstaan van het eigen voer een barrière, weet de initiatiefnemer van het voercentrum. “Iedere boer zegt dat hij de beste grond heeft en dat hij het beste gewas teelt. Als je maar op kwaliteit uitbetaalt, speelt die discussie niet meer.” Op basis van kwaliteit en kilogrammen droge stof krijgt de veehouder een vergoeding voor het gras en de maïs. “Heel belangrijk. Zo ontstaat meteen het besef dat het ruwvoer een waarde heeft. Iedere keer na de levering zie je dat aan de afrekening. Daardoor groeit het besef, dat je er meer aan kunt verdienen als je er aandacht aan besteedt,” stelt de adviseur. Vervolgens krijgt de veehouder voer – ruwvoer plus krachtvoer – teruggeleverd conform een totaal rantsoen, dat gezamenlijk is opgesteld. Daarin moet volgens Sijbren Mulder een plus zitten, doordat de veehouder een scherper en verbeterd rantsoen krijgt met daarin veel krachtvoerbestanddelen uit de regio (gerst en tarwe).

Vers voor het vee

Het voercentrum zorgt ervoor dat het voer elke dag vers met een voerwagen voor het vee wordt gebracht. Ook in het geval van calamiteiten vanwege bijvoorbeeld het weer of vanwege een uitbraak van MKZ. “Daarvoor hebben we een plan klaarliggen,” vertelt de initiatiefnemer. Dat kan voorzien in onder meer een reservevoorraad voer in ronde balen, die beschikbaar is als het mis gaat.
Het resultaat telt uiteindelijk. Daar is Adri Ros het roerend mee eens. “Als het echt financieel voordeel biedt zijn veehouders snel om.” “Hoeveel kg melk haalt een boer uit één kg droge stof? Dat is hierbij een belangrijk kengetal,” stelt Sijbren Mulder, die zelf tien jaar bij een veevoerbedrijf heeft gewerkt. Hij signaleert dat dit soort kengetallen nog weinig leven onder melkveehouders. “Elke varkenshouder kan je precies vertellen wat de voederconversie is. Voor veel melkveehouders is dat nog een onbekend begrip. Nog geen vijf procent kan je dat getal vertellen,” schat Sijbren Mulder.
Adri Ros haakt in: “Je krijgt van de GIBO Groep een accountantsrapport en daar kijk je eigenlijk te weinig en te kort in. Pas in de studieclub kijk je goed naar je eigen cijfers en word je bewuster.”

Beduidend lagere voerkosten

Omgerekend halen de vijf deelnemers, die sinds begin augustus aan een pilot meedoen tot 1,4 kg melk uit 1 kilo droge stof. Netto bedragen de kosten per kilo droge stof op dit moment 17 eurocent. “Dat komt neer op 13 tot 14 eurocent aan voerkosten – alles inclusief – per kilo melk,” rekent Sijbren Mulder voor. Die 13 tot 14 cent liggen beduidend lager dan de 17 tot 18 cent die in Nederland gebruikelijk zijn. De eerste resultaten van de pilot komen overeen met het bedrag dat hij in Israël noteerde in 2008, toen hij daar op het idee van het voercentrum werd gebracht. In dat land wordt 80 procent van de koeien gevoerd uit een voercentrum. Daar zitten eigenlijk alleen maar grondloze bedrijven bij, het grote verschil met Nederland. “Dat zou ik nooit willen,” stelt Adri Ros meteen.

Minder voerverlies

De adviseur somt nog een aantal andere voordelen op, waaronder minder investeringen in opslag en mechanisatie en minder voerverlies. Dat laatste, doordat efficiënt wordt gevoerd – praktisch alles gaat op – en anderzijds doordat bijvoorbeeld het afdekken van de kuil professioneel gebeurt. Adri Ros beaamt dat hier winst te behalen is: “Zelf ben ik een uur of twee bezig met het afdekken. Die tijd heb je nodig om het goed te doen. Laatst hadden we een stagiair die het in een half uur klaar had. Dat kan nooit goed zijn. Dan vraag je je wel af hoe het op het thuisbedrijf van die stagiair toegaat.” Sijbren Mulder haalt een onderzoek van Barenbrug aan dat uitwijst dat gemiddeld 10 tot 20 procent van het voer verloren gaat bij de conservering. Zowel het uitbesteden aan de loonwerker als het voercentrum kunnen hier tot aanmerkelijke verbetering leiden.

Arbeid inhuren of uitbesteden?

Ook arbeidstechnisch kan het uitbesteden van het voeren gunstig zijn. Het is dagelijks werk en juist daar valt winst te behalen, constateren zowel Adri Ros als Sijbren Mulder. “Investeren in incidenteel werk heeft voor de post arbeid niet zoveel effect. Het gaat juist om de dagelijkse arbeid: een melker of bijvoorbeeld het voeren,” zegt de adviseur. Het is een kwestie van afwegen: arbeid inhuren of werk uitbesteden. Nu melkveebedrijven naar een grotere omvang groeien is dat een wezenlijke vraag. Samenwerking bij voeren biedt hier soelaas.

Foto

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.