Home

Nieuws 1611 x bekeken 1 reactie

‘Forfaitaire fosfaatnorm rundermest lokt fraude uit’

De forfaitaire fosfaatnorm voor dikke fractie van gescheiden rundveemest is tot vier keer zo hoog als het fosfaatgehalte dat technisch gehaald kan worden.

Dat lokt fraude uit. Dat zegt varkenshouder en bestuurder John van Paassen tijdens een rondetafelgesprek over mestfraude in de Tweede Kamer.

“Er zijn twee werkbare technieken om rundveemest te scheiden. Met de ene techniek krijg je een dikke fractie met ongeveer 2,5 kilo fosfaat per ton mest en met de andere techniek een dikke fractie met 5 tot 6 kilo fosfaat per ton. Rundveehouders voeren de mest af met een forfaitaire norm van 10 tot 11 kilo fosfaat. De overheid staat dat toe, omdat de normen zo zijn vastgesteld. De NVWA kan er niet op handhaven zolang het fosfaatgehalte niet boven de 11 kilo uit komt”, zegt Van Paassen.

De afwijkende forfaitaire norm voor dikke fractie van rundveemest wordt bevestigd door Cumela. De afwijking is ook aangekaart bij het ministerie, maar dit heeft nog niet tot aanpassing van de normen geleid.

Gemeten waarden in getransporteerde mest

Het ministerie van Economische Zaken erkent dat de forfaitaire normen voor dikke fractie niet altijd aansluiten bij de praktijk. De forfaitaire normen zijn gebaseerd op de gemeten waarden in getransporteerde mest. Het is volgens het ministerie niet mogelijk om de forfaitaire normen voor verwerkte mest verder aan te passen, vanwege de grote diversiteit aan mestverwerkingsmethoden. “We hebben het probleem in 2015 op een andere manier aangepakt, door verplichte bemonstering in te stellen voor alle bewerkte mest. Hierdoor is er op deze manier geen fraude mogelijk”, aldus een woordvoerder van het ministerie. Als bij boeren de bemonstering niet lukt, mogen ze wel gebruik maken van de forfaitaire normen. “Als bij een veehouder de monstername steeds mislukt, dan valt dit uiteraard op. De NVWA controleert dit”, aldus de woordvoerder.

Op papier meer fosfaatruimte

Door de hogere forfaitaire norm voeren bedrijven, die mestscheiding toepassen op papier, meer fosfaat af dan in werkelijkheid. Hierdoor ontstaat op papier fosfaatruimte. Er zijn gevallen bekend van export, waarbij buitenlandse afnemers klaagden dat het werkelijke fosfaatgehalte in de stapelbare mest lager was dan hetgeen op de bon stond. Vanaf komend najaar wordt het voor vaste mest verplicht om het fosfaat- en stikstofgehalte door een onafhankelijke monsternemer te laten bepalen.

‘Het kan niet zo zijn dat er intermediairs zijn die 50% van de stikstof kwijt zijn’.

Ontheffing voor mestdistributeurs

Een tweede grote lek in het mestdossier is volgens Van Paassen de ontheffing voor mestdistributeurs om het stikstofgehalte van mest te registreren. Akkerbouw en veehouderij moeten de stikstof- en fosfaatgehaltes van de mest bewijzen, door een mestboekhouding bij te houden. Mesttransporteurs hoeven de stikstofgehaltes niet te verantwoorden, zij hebben hier vrijstelling voor. Van Paassen vindt dat de intermediairs dezelfde bewijslast moeten krijgen. “Mesttransport gebeurt in een dichte vrachtwagen en een dichte silo. Het kan niet zo zijn dat er intermediairs zijn die 50% van de stikstof kwijt zijn. Het is bekend bij RVO.nl, maar er gebeurt niets, omdat er voor deze tussenschakel geen registratieplicht is”, aldus Van Paassen.

Cumela

Voorzitter Jaap Uenk van de sectie meststoffendistributie van Cumela vindt het prima als ook mestdistributeurs de stikstofgehaltes moeten gaan verantwoorden. “Prima. Maar we moeten niet vergeten dat er een reden is waarom we zijn vrijgesteld. Er moet dan wel rekening worden gehouden met een bandbreedte in verband met vervluchtiging van stikstof bij het verladen. Bij fosfaat hebben we dat probleem niet, maar bij stikstof heb je verliezen. Zeker als de mest ook nog via een tussenopslag gaat”, zegt Uenk.

Eén reactie

  • landboer

    Wat is het probleem nu dan ?Forfaitair afvoeren van de dikke fractie mag toch niet.

Of registreer je om te kunnen reageren.