Home

Nieuws 1403 x bekeken 1 reactie

Intensivering en schaalvergroting stuwt productiewaarde

De productiewaarde van de Nederlandse landbouw is in de periode van 1950-2015 ruimschoots vertienvoudigd, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

De enorme groei is vooral gevolg van steeds intensievere productie en schaalvergroting van bedrijven. De groei werd aangewakkerd door stimuleringsbeleid van de overheid, aldus het CBS.

Na de Tweede Oorlog verklaarde de Nederlandse overheid het veilig stellen van de voedselvoorziening van groot belang. Nederland had een hongerwinter achter de rug en de regering zag meer dan ooit in dat sociale rust van groot belang is voor de stabiliteit van een land. Maar ook later in de jaren zestig en zeventig werd de productie van de land- en tuinbouw flink gestimuleerd vanuit de Nederlandse en later ook Europese overheid.

Minder en steeds grotere bedrijven

Het aantal landbouwbedrijven liep terug van 410.000 in 1950 tot 55.000 in 2016. Het gemiddelde bedrijf besloeg in 1950 ongeveer 5,7 hectare. In 2016 was dat 32,4 hectare. Tegelijk schoten productie en de productiviteit omhoog. In 2015 produceerden boeren vijf keer zoveel als in 1950. In 1950 werden bijvoorbeeld in Nederland 53 miljoen kg komkommer en 2,7 miljard kg suikerbieten geoogst. In 2015 waren dat 405 miljoen kg komkommer en 4,9 miljard kg suikerbieten.

Opbrengsten per hectare stegen hard. De opbrengst van suikerbieten steeg bijvoorbeeld van 41 ton per hectare in 1950 naar 84 ton per hectare in 2015. Bij consumptieaardappelen ging de opbrengst omhoog van 23,7 naar 42,5 ton. De opbrengst van wintertarwe ging omhoog van 3,3 ton naar 9,4 ton. Dat de opbrengsten stegen, is volgens het CBS vooral het gevolg van de inzet van meer kunstmest en mechanisatie een rol, maar ook zaadveredeling en uitwisseling van kennis.

Voor de teelt onder glas, die explodeerde, speelde de verwarming met aardgas uit Slochteren vanaf het midden van de jaren zestig een belangrijke rol. De niet door rookgassen verontreinigde CO2 die geproduceerd werd, kon gebruikt worden als ‘bemesting’ voor de gewassen. In het midden van de jaren zeventig kwam ook het telen op substraat op gang, waarbij de temperatuur en de toediening van vocht en voedingsstoffen beter geregeld konden worden.

Veehouderij sterk gegroeid

In de veeteelt was evengoed sprake van schaalvergroting en intensivering. Het aantal varkens verzevenvoudigde in de onderzoeksperiode tot 12,4 miljoen stuks. De melkveestapel daarentegen groeide beperkt van 1,5 miljoen naar 1,6 miljoen. De geitensector bestond tot de jaren negentig nauwelijks en groeide daarna tot 470.000 dieren.

De dieren werden ook steeds productiever; onder meer door intensiever weiden, fokkerij, betere huisvestingsystemen en beter veevoer. In 1956 legden de 33 miljoen leghennen in Nederland 224 miljoen kg eieren. In 2012 waren er bijna 42,8 miljoen leghennen die 672 miljoen kg aan eieren legden. Voor de melkveehouderij geldt eenzelfde verhaal. In 1950 gaf een gemiddelde melkkoe 4.000 kg melk per jaar. In 2015 was dit 8.200 duizend kg.

Ondanks de groei daalde de bijdrage van de primaire sector aan de economie in deze periode van 15% naar 1,5%. Wanneer ook de voedselverwerking, toeleveranciers en handel worden meegerekend, stijgt het percentage snel.

Foto

  • Foto: Joris Telders

    Foto: Joris Telders

Eén reactie

  • farmerbn

    Iedereen produceert in NL meer. Bouwvakkers maken per man per jaar meer huizen, boeren produceren meer, fabrieksarbeiders produceren meer. Iedereen behalve de leraren. Zaten er vroeger 40 kinderen in de klas (productie per leerkracht dus 40 per jaar) nu is dat maar 30. En nu willen ze dat weer verlagen.Linkse politieke partijen hebben de mond vol van innovatie maar krijgen de productie van de leraren niet omhoog. Ondanks alle moderne hulpmiddelen zoals computers, wifi enz , het lukt niet. Hulde dus voor de mensen die wel de productie vergroot hebben en de schatkist voller maken. Veel waardering krijgen ze niet maar linkse hobby's blijven.

Of registreer je om te kunnen reageren.