Home

Nieuws 993 x bekeken

Relatie veedichtheid en zoönose het sterkst voor Q-koorts

Bilthoven – De kans dat je een zoönose oploopt door dicht bij een veebedrijf te wonen lijkt het grootst voor Q-koorts. Dat blijkt uit een onderzoek naar drie meldingsplichtige zoönosen bij mensen tussen 1988 en 2010 en de relatie met de veedichtheid.

Onderzoeker Gijs Klous van de VU Amsterdam, wilde weten of er een verband was tussen het voorkomen van zoönosen bij mensen en hoe dicht deze mensen bij veehouderijbedrijven wonen. Hij werd hierin begeleidt door het RIVM. Uit de lijst van meldingsplichtige zoönosen zijn Q-koorts, psittacose en leptospirose nader onderzocht.
Door de informatie van ziektegevallen bij mensen te koppelen met gegevens van de veepopulaties in de GGD-regio’s in Nederland bleek dat het grootste aantal humane ziektegevallen voor psittacose (overgebracht door siervogels, maar niet direct door pluimvee) werd gevonden in een gebied met een lage pluimveedichtheid, de GGD-regio Rotterdam-Rijnmond (174 ziektegevallen). Volgens de onderzoeker kan dit komen omdat in deze regio relatief veel vogels als huisdier worden gehouden. Ook kan het te maken hebben met de hoge aanwezigheid van de ziekte in de stadse duivenpopulatie. De GGD-regio Midden-Nederland (met 64 ziektegevallen) en de hulpverleningsregio Gelderland-Midden (74 ziektegevallen) lagen echter wel boven het landelijk gemiddelde van deze ziekte (39,8 ziektegevallen). Deze twee regio’s worden gekenmerkt door de meest intensieve pluimveehouderij in Nederland.
Leptospirose komt het meest voor in de GGD-regio’s Friesland en Midden-Nederland en hulpverleningsdienst Groningen. Dit zijn gebieden waar veel runderen, varkens, schapen en geiten worden gehouden. Amsterdam heeft de op een na grootste incidentie van leptospirose, wat mogelijk veroorzaakt wordt door de vele ratten in de grachten (ratten verspreiden de ziekte).
De resultaten voor Q-koorts beamen eerder onderzoek dat is gedaan naar de relatie van geiten- en schapenbedrijven en de regio waar mensen Q-koorts hebben opgelopen. Uit het onderzoek van Klous blijkt dat de GGD regio’s Hart voor Brabant en Brabant-Zuidoost, waar ook de meeste geiten-en schapenbedrijven zijn, ook de meeste humane Q-koortsgevallen heeft gemeld. Respectievelijk 2358 en 501 voor Hart voor Brabant en Brabant-Zuidoost. Deze getallen liggen ver boven het landelijk gemiddelde van 27,5 ziektegevallen. In de regio Zuid-Limburg zijn de geiten- en schapenbedrijven iets meer geconcentreerd dan in de Brabantse regio’s. Ook hier was een verband te zien met het aantal infecties bij mensen. In Zuid-Limburg zijn 266 Q-koortsgevallen gemeld, ook ver boven het landelijke gemiddelde.
Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de invloed van veebedrijven op het oplopen van een zoönose vooral geldt voor Q-koorts. Voor psittacose en leptospirose is het verband minder sterk. Bij deze twee ziektes blijken ook andere dieren (geen vee) een rol te spelen.

Of registreer je om te kunnen reageren.