Home

Nieuws 1146 x bekeken

Verblijvingsbeding in maatschapscontract en hoogte successierecht

Den Haag - Overeenkomsten van personenvennootschappen (zoals maatschappen en vennootschappen onder firma) bevatten vaak ook bepalingen over wat met vennootschappelijke goederen moet gebeuren als een maat of vennoot komt te overlijden. Er is dan sprake van een verblijvingsbeding of overnemingsbeding.

De Hoge Raad heeft in 1961 en in 1968 arresten gewezen op het gebied van successierecht (thans erfbelasting geheten) waarin zo’n verblijvings- of overnemingsbeding aan de orde was en gaf daarbij aan wat de fiscaalrechtelijke gevolgen zijn als de overleden maat of vennoot in gemeenschap van goederen gehuwd was geweest met een van de voortzettende maten/vennoten.

Hof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan in een procedure waarin sprake was van een verblijvingsbeding in een maatschapscontract en waarbij een van de maten (vrouw) in 2005 was overleden. Volgens dat beding mochten de voortzettende maten (vader en zoon) de activa en passiva van de maatschap van de erfgenamen overnemen. De inspecteur stelde de aanslagen successierecht vast van de twee voortzettende maten en de niet bij de maatschap betrokken dochter van de overledene.

Alle aanslagen successierecht had hij vastgesteld rekeninghoudend met het verblijvingsbeding. Dit leidde voor de dochter tot een hoger bedrag aan successierecht dan op aangifte was aangegeven. De vader en zoon waren per saldo geen successierecht verschuldigd. Rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van de dochter ongegrond. De vader, de zoon en de dochter tekenden hoger beroep aan bij Hof Amsterdam.

Het hof stelde voorop dat de twee eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad kort gezegd erop neerkomen dat de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot niet gerechtigd is tot de vennootschappelijke goederen. Tot de huwelijksgemeenschap (en indirect ook tot de nalatenschap) behoort wel de waarde van het vennootschapsaandeel van de overledene.

Daarbij moet voor de waardering van dat aandeel in beginsel worden uitgegaan van de waarderingsgrondslagen zoals vermeld in de vennootschapsovereenkomst. De bepalingen die regelen op welk gedeelte van het vermogen de vennoten bij beëindiging van de vennootschap bij liquidatie, uittreden of overlijden recht hebben, vond het hof daarbij van bijzonder belang. Het hof was daarom van oordeel dat een in de vennootschapsovereenkomst opgenomen verblijvings- of overnemingsbeding de waarde van het vennootschapsaandeel en daarmee de waarde van de huwelijksgemeenschap beïnvloedt.

Rekening houdend met bovenstaande uitgangspunten maakte het hof een berekening van de waarde van de nalatenschap en (mede) de omvang van de erfrechtelijke verkrijging van de dochter. Dit leidde ertoe dat zij minder successierecht was verschuldigd dan de inspecteur had vastgesteld. Het hof verklaarde daarom haar hoger beroep gegrond, maar die van de vader en zoon niet-ontvankelijk, omdat hun hoger beroep niet tot een gunstiger resultaat kon leiden. Zij waren immers al geen successierecht verschuldigd.

Of registreer je om te kunnen reageren.