Home

Nieuws 101 x bekeken

Onderliggend wantrouwen tegen globalisering frustreert WTO

Zürich - WTO-onderhandelingen worden gefrustreerd door een onderliggend gevoel dat mogelijk globalisering voor voedselzekerheid en stabiele voedselprijzen niet goed uitpakt. Dat zei directeur-generaal Pascal Lamy van de WTO tijdens een toespraak tot landbouweconomen in het Zwitserse Zürich, waarin Lamy ook fel uithaalt naar VN-rapporteur Olivier de Schutter.

Professor Olivier de Schutter, rapporterend aan maar niet sprekend namens de VN, stelde bij herhaling tijdens de voedselcrises dat “excessieve afhankelijkheid van internationale handel” moet worden gelimiteerd in het belang van voedselzekerheid. Voedsel, vaak bederfelijke waar, is nu eenmaal als handelsproduct niet gelijk aan bijvoorbeeld auto’s, aldus De Schutter.

Bovendien zijn kleine boeren in bijvoorbeeld Afrika die vooral telen om zelf te overleven, volgens de Belg niet in staat te concurreren met de grootschalige boeren in het Westen. Alternatieve industrieën zijn voor hen niet zomaar voorhanden en zij verdienen dus bescherming en hulp om uit te vinden of zij een “competitive advantage” kunnen ontwikkelen in de landbouw.

Internationale handel was volgens Lamy nimmer de oorzaak van de voedselcrisis. Dat kan volgens Lamy ook nauwelijks, aangezien slechts 10 procent van de wereldwijd geproduceerde voeding grenzen oversteekt. Internationale handel herbergt volgens Lamy de evolutionaire geest; het dwingt tot verbetering van efficiëntie en brengt dus de prijs van voedsel omlaag terwijl het inkomens maximaliseert.

De wereld heeft volgens de Fransman behoefte aan een “coherent internationaal beleidskader” en pleit in dezen voor landelijke vangnetten die landen meer zelfvertrouwen kunnen geven wanneer ze voedsel verhandelen. Over strategische voorraden onder hoede van VN-agentschap FAO zoals wel is voorgesteld laat Lamy zich niet uit.

In een meer algemeen argument voor handel benadrukt Lamy in navolging van bekende denkers als Eric Hobsbawm en Ernst Gellner dat nationale grenzen bijna toevallig tot stand kwamen.

“Sommigen zitten op vruchtbare gronden, zijn gezegend met zonneschijn en drinkwater. Anderen zijn veroordeeld tot dor en weinig uitnodigend terrein.” Het is volgens Lamy logisch dat “gezegende landen” en landen met meer efficiënte productiesystemen de voedselproductie voor hun rekening nemen.

Landen die een tekort aan vruchtbare grond of efficiëntie kennen, te denken valt aan Japan of Singapore, kunnen daarom beter zich richten een andere economische tak waarin het wel kan uitblinken. Daarmee volgt Lamy het principe van “competitive advantage” van de klassieke economen.

Of registreer je om te kunnen reageren.