Home

Nieuws 188 x bekeken

Hennepkweker wordt belast voor winst

Haarlem - Een hennepkweker wordt aangemerkt als fiscaal ondernemer. Zijn winst wordt belast. Hij krijgt ook alle ondernemersfaciliteiten en de MKB-winstvrijstelling in de inkomstenbelasting.

Naast het fiscale geschil loopt er tegen de hennepkweker een procedure om het wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen. Deze vordering (uit de zogenoemde Pluk ze-wetgeving) heeft ook fiscaal effect. Als de kweker een bedrag zou moeten betalen vermindert dat de fiscale winst. In geschil was of bij de winstbepaling al rekening gehouden mocht worden met een in de toekomst te betalen bedrag uit de 'Plluk-ze-vordering'. De rechtbank overweegt hierover het volgende:

‘Voorziening?
4.6. Niet in geschil is dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de in artikel 3.8 Wet IB 2001 bedoelde totaalwinst van eiser raakt. De vraag in welk belastingjaar rekening gehouden kan worden met ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen, dient te worden beantwoord volgens de regels van goed koopmansgebruik als bedoeld in artikel 3.25 Wet IB 2001. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met deze verliespost rekening mag worden gehouden in het jaar waarin zich een gerede kans op het opleggen van de ontnemingsmaatregel aftekent (Kamerstukken II, 21 504, nr. 3, blz. 80). Ingevolge het zogenoemde Baksteenarrest BNB 1998/409 kan op grond van goed koopmansgebruik onder bepaalde voorwaarden een voorziening worden gevormd voor toekomstige uitgaven. Toegestaan is “dat bij de bepaling van de winst voor een zeker jaar ter zake van toekomstige uitgaven een passiefpost wordt gevormd, indien die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden, die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan [oorsprongvereiste] en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend [toerekenbaarheid], en ter zake waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen [redelijke mate van zekerheid].” Niet vereist is dat de uitgaven voortvloeien uit een op balansdatum bestaande rechtsverhouding.

4.7. Naar het oordeel van de Haarlemse rechtbank is met betrekking tot de onderhavige jaren (2006 tot en met 2008) niet voldaan aan het vereiste van een redelijke mate van zekerheid. Ultimo 2008 kan niet reeds de verwachting hebben bestaan dat uitgaven zouden worden gedaan ter zake van een door de officier van justitie in te stellen ontnemingsvordering. Evenmin tekende zich in 2008 de gerede kans af op het opleggen van de ontnemingsmaatregel.‘

Er mag geen voorziening worden gevormd.

Of registreer je om te kunnen reageren.