Home

Nieuws 157 x bekeken

Gangbare praktijk bij aanleg mestbassins achterhaald

Den Haag – Veehouders die een mestbassin aanschaffen moeten bij de vergunningsaanvraag niet uitgaan van de gemiddelde oppervlakte, maar van de maximale oppervlakte.

Anders lopen zij het risico het bassin te moeten verkleinen of een nieuwe vergunningprocedure te moeten doorlopen. Dat is het gevolg van een uitspraak van de Raad van State in Den Haag.

Een mestbassin kleiner dan 2.500 kuub of met een oppervlakte onder 750 vierkante meter kan worden geplaatst met een AMvB-melding in Besluit landbouw milieubeheer. Voor grotere bassins is een milieuvergunning vereist.

In de praktijk blijkt de oppervlakte eerder een begrenzing dan de kuubsnorm. Omdat de taluds van een mestbassin schuin lopen en het bassin slechts een heel beperkt deel van het jaar vol zit, is het gangbare praktijk om te rekenen met de gemiddelde oppervlakte (halverwege het talud).

De oppervlakte van het mestbassin van melkveehouder Paauw in Schagen past volgens de gemiddelde maat binnen de voorwaarden. De maximale oppervlakte die het bassin beslaat als het vol is, is 30 vierkante meter groter dan de norm. In een bezwaarprocedure bepaalde de Raad van State dat bij de beoordeling moet worden uitgegaan van deze maximale maat. Paauw zal nu zijn bassin moeten verkleinen of een nieuwe milieuvergunning aanvragen.

Veehouders die een mestbassin willen aanleggen doen er nu dus verstandig aan, voor de bepaling of het bassin vergunningsplichtig is, om uit te gaan van de maximale maat, ook als de gemeente met gemiddelde maat werkt.

Of registreer je om te kunnen reageren.