Home

Nieuws 315 x bekeken

Restwaarde quotum moet meegenomen worden bij berekening voortzettingswaarde

Den Haag - Bij de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet speelt de zogenaamde voortzettingswaarde een grote rol. De Hoge Raad geeft aan dat bij de berekening van de voortzettingswaarde rekening moet worden gehouden met langlopende schulden en de restwaarde van een bietenquotum.

De uitspraak van de Hoge Raad is kort samengevat de volgende:
Een agrariër overlijdt. Tot de nalatenschap behoort een landbouwbedrijf. Omdat het bedrijf wordt voortgezet, doet een erfgenaam een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Hierdoor wordt het verschuldigde successierecht fors verlaagd. In geding is hoe de voortzettingswaarde (waarde going concern) berekend moet worden.

De inspecteur heeft de voortzettingswaarde van de onderneming terecht berekend volgens de DCF-methode, waarbij de waarde wordt bepaald op basis van de contante waarde van verwachte toekomstige kasstromen. De berekening van de DCF-methode is met werkelijke cijfers gemaakt en niet met het model dat op de site van de Belastingdienst is gepubliceerd.

Bij deze methode past dat rekening wordt gehouden met de schulden van de onderneming. Verder moet daarbij ook de restwaarde van het productiequotum in aanmerking worden genomen. Anders dan Hof Den Bosch eerder heeft geoordeeld, doet daaraan niet af dat de waarde van het productiequotum vóór liquidatie reeds tot uitdrukking komt in de toekomstige kasstromen, als opbrengst bij verkoop van de productie.

Of registreer je om te kunnen reageren.