Home

Nieuws 390 x bekeken

Mag bedrijfswoning tot ondernemingsvermogen horen?

Aan de Hoge Raad is de vraag voorgelegd of ook de bedrijfswoning mag behoren tot het ondernemingsvermogen. Het hof is, met rechtbank en inspecteur van oordeel dat dit het geval is.

Kort samengevat is de aan de Hoge Raad voorgelegde vraag de volgende:

B drijft een landbouwonderneming. Bij de verdeling in 1984 van de nalatenschap van zijn schoonvader is aan B’s echtgenote een onroerende zaak toegescheiden, bestaande uit een boerderij met grond en opstallen. B heeft de onroerende zaak tot zijn ondernemingsvermogen gerekend. B heeft de boerderij vervolgens verbouwd, waarbij een scheidingsmuur is geplaatst tussen de stal en het woongedeelte. Als gevolg hiervan kon het woongedeelte zelfstandig rendabel worden gemaakt. B heeft het als woning verhuurd. Hij heeft de stal en omliggende grond gebruikt in het kader van zijn onderneming. In 2000 heeft B het woongedeelte onttrokken aan het ondernemingsvermogen en gerekend tot zijn privévermogen. In geschil is of de woning mag behoren tot het ondernemingsvermogen.

In hoger beroep overweegt het hof dat de onroerende zaak, bestaande uit het woongedeelte waar het hier om gaat en de stal en omliggende grond, juridisch niet is gesplitst. B’s echtgenote heeft de gehele onroerende zaak in één transactie, de verdeling van de nalatenschap, verkregen. Het woongedeelte is zelfstandig rendabel te maken en dat heeft B ook gedaan door het te verhuren. B heeft niet zelf in het woongedeelte gewoond. De stal en de omliggende grond heeft hij in zijn onderneming gebruikt. Onder deze omstandigheden heeft B zonder de hiervoor vermelde grenzen der redelijkheid te overschrijden in 1984 het woongedeelte tot zijn ondernemingsvermogen mogen rekenen. Niet gesteld of gebleken is dat zich nadien een bijzondere omstandigheid heeft voorgedaan die aanleiding kon zijn het woongedeelte te onttrekken aan het ondernemingsvermogen.

B heeft cassatieberoep ingesteld. Hij beroept zich op het arrest van 17 september 2010 nummer 2009/00332. In zijn verweerschrift wijst de staatssecretaris op een noot van R.P.C. Cornelisse onder dit arrest waarin hij deze beslissing probeert te plaatsen in de jurisprudentie die is gewezen op het vlak van de etikettering van panden. Verder wijst de staatssecretaris op arresten van 13 juli 2007 nummers 42.698 en 43.298 met betrekking tot verhuurde bovenwoningen. Anders dan in eerstgenoemd arrest is hier, net als in het arresten van 13 juli 2007, sprake van een aan derden verhuurde woning. Het hof heeft dan terecht beslist dat de gehele onroerende zaak tot het ondernemingsvermogen mag behoren volgens de staatssecretaris. Het laatste woord is aan de Hoge Raad.

Of registreer je om te kunnen reageren.