Home

Nieuws 241 x bekeken

Pachtersvoordeel moet in heffing worden betrokken

Advocaat-generaal Niessen heeft de Hoge Raad een advies gegeven hoe een pachtersvoordeel in de belastingheffing betrokken moet worden.

Het advies van de A-G is kort samengevat de volgende:

Een agrariër heeft op 29 februari 1996 een woonerf in eigendom verkregen dat hij tot die datum pachtte. Een taxateur van de Belastingdienst heeft de waarde in verpachte staat van het woonerf op het moment van aankoop gesteld op f 23.424 en de waarde vrij te aanvaarden op f 29.280. Het verschil ad f 5.856 vormt het pachtersvoordeel. Het woonerf behoort tot het ondernemingsvermogen. In 2000 staakt belanghebbende de onderneming. De winst door de overgang naar het privévermogen van het woonerf is door partijen als volgt berekend:

Onttrekkingswaarde f 170.625 (65 procent van f 262.500 in verband met zelfbewoning) – f 23.424 (aankoopprijs en boekwaarde) = f 147.201. In zijn aangifte voor het jaar 2000 heeft de agrariër het pachtersvoordeel niet begrepen in zijn belastbaar inkomen. Volgens Hof Arnhem is dit terecht.
A-G Niessen is het niet eens met het hof. Hij merkt op dat het pachtersvoordeel als gerealiseerd moet worden aangemerkt. De door de agrariër behaalde fiscale boekwinst moet worden berekend aan de hand van de waarde in het economische verkeer in bewoonde staat ten tijde van de overbrenging naar het privévermogen. Vervolgens dient het pachtersvoordeel van de behaalde boekwinst te worden afgesplitst als een belast voordeel. Het pachtersvoordeel behoort tot de werkelijk behaalde winst en kan daarom volgens HR 17 maart 1965, nummer 15.349 niet buiten de heffing blijven.

In zijn incidentele beroep in cassatie stelt de agrariër dat bij de berekening van het pachtersvoordeel ook rekening moet worden gehouden met de waardedruk in verband met zelfbewoning. Dit standpunt is echter niet juist omdat moet worden uitgegaan van de door de taxateur vastgestelde waarde in verpachte en onverpachte staat.

De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de staatssecretaris en ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende.

Meer informatie: Conclusie A-G Niessen 2 november 2011, 11/01333, LJN BU4827

Of registreer je om te kunnen reageren.