Home

Nieuws 419 x bekeken

Waardedruk wegens asbest

Het gerechtshof heeft bij zijn uitspraak meerdere fouten gemaakt. Volgens de Hoge Raad kan er ook sprake zijn van waardedruk als directe noodzaak tot verwijdering van de asbest ontbreekt.

Kort samengevat is de uitspraak van de Hoge Raad de volgende: Een woningeigenaar is het niet eens met de WOZ-waarde 2008 van zijn woning, die door de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag is vastgesteld op een bedrag van € 704 000. Hij stelt dat de verwarmingsbuizen in zijn woning mogelijk zijn geïsoleerd met asbesthoudend materiaal.

De heffingsambtenaar weerspreekt de aanwezigheid van asbest niet, maar stelt dat van enige waardedruk van betekenis geen sprake is. Hof ’s-Gravenhage overweegt dat het op de weg van de eigenaar ligt om aannemelijk te maken dat op de waardepeildatum een directe noodzaak tot verwijdering bestond en dat de kosten daarvan zodanig hoog zijn, dat deze de waarde van de woning in die mate beïnvloeden dat de Fierensmarge van art. 26a Wet WOZ wordt overschreden.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof meerdere fouten heeft gemaakt bij zijn beslissing om aan de aanwezigheid van asbest geen waardedruk toe te kennen. Ten eerste heeft het hof de strijdigheid van de Fierensmarge met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM miskend (HR 22 oktober 2010, nr. 08/02324).

Ten tweede heeft het hof de bewijslast onjuist verdeeld. Het is immers aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van asbest (HR 1 april 2005, nr. 40 313). Ten derde heeft het hof miskend dat ook wanneer de directe noodzaak tot verwijdering van de asbest ontbreekt, er sprake kan zijn van waardedruk. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak naar Hof Amsterdam voor een verdere behandeling en beslissing van de zaak, met inachtneming van dit arrest.

Of registreer je om te kunnen reageren.