Home

Nieuws 604 x bekeken

Vrijstelling subsidie voor bosbouw in geschil

Is de SBL-subsidie volledig vrijgesteld van belastingheffing of niet? Deze vraag ligt momenteel voor bij de Hoge Raad.

Kort samengevat is de aan de Hoge Raad voorgelegde zaak de volgende:

A drijft in de vorm van een eenmanszaak een akkerbouw- annex bosbouwbedrijf. Vanaf 1995 ontvangt hij een uitkering op grond van de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden (SBL-regeling) voor de aanleg en het in stand houden van een bos. De in 2002 uit hoofde van deze regeling ontvangen uitkering bedraagt € 26 000. Van dit bedrag heeft de inspecteur 20% (€ 5 200) als inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen. Voor het restant verleende hij een vrijstelling op grond van het Besluit van 6 februari 2003, nummer CPP2003/92M.

In het kader van een geschil over de fiscale gevolgen van de braaklegregeling (set-aside-regeling) is in 2004 een compromis gesloten tussen Belastingdienst en vertegenwoordigers van houttelers. Bij dit compromis zijn betrokkenen die in het kader van de set-aside-regeling gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om bos te planten en daarvoor subsidie ontvingen, overeengekomen dat vanaf 2002, overeenkomstig de regels voor de SBL, een vrijstelling geldt van 90% of 100%.

A heeft 38 ha van zijn landbouwareaal omgezet in bos door het planten van bomen. Voor die aanplant zijn subsidies verstrekt. Ook is op grond van de SBL-regeling een subsidie verstrekt, looptijd 20 jaar. A ontving in 2002 € 26 000 SBL-subsidie. In genoemd besluit stelt het MvF zich op het standpunt dat de SBL-subsidie voor blijvend bos voor 80% onder de bosbouwvrijsteling valt en voor 20 % in het inkomen moet worden opgenomen. Deze 20 % telde de inspecteur bij de aanslagregeling bij. In geschil is of de SBL-subsidie op grond van artikel 3.11, lid 1 Wet IB 2001 in plaats van voor 80 % voor 100 % vrijgesteld moet worden.

Rechtbank en hof komen tot de conclusie dat de SBL-subsidie hier niet voor meer dan 80% is vrijgesteld. In cassatie stelt A onder meer dat de in het kader van de SBL-regeling ontvangen subsidie in direct en rechtstreeks verband staat met de bosbouw en daarom onder de bosbouwvrijstelling valt. Verder beroept hij zich op zowel het vertrouwens- als het gelijkheidsbeginsel. In zijn verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat het hof terecht heeft gekeken naar doel en strekking van de SBL-regeling in het licht van de Vo EG nr. 2080/92. Er wordt een onderscheidt gemaakt tussen landbouwbedrijfshoofden en niet-landbouwbedrijfshoofden De eerste groep heeft recht op een hogere compensatie voor inkomensverliezen dan de tweede. Het hof trekt hieruit terecht de conclusie dat de subsidie wegens inkomensderving in causaal verband staat met het uitgeoefende landbouwbedrijf en dus niet onder de bosbouwvrijstelling valt.

Lopende procedure Hoge Raad, nummer 2010/02779

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.