Redactieblog

1221 x bekeken

Duurzame landbouw

De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur vindt dat megabedrijven moeten kunnen, maar weet niet hoe.

Vorige maand is het rapport Ruimte voor Duurzame Landbouw gepresenteerd. Aan het rapport is ooit begonnen door de Raad voor het Landelijk Gebied. Onderweg is die Raad opgegaan in de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur en die heeft het rapport nu uitgebracht. Zo’n rapport is bedoeld voor de regering. Iedereen die ertoe doet in landbouwland is wel gehoord over hoe het verder moet, van Aalt Dijkhuizen tot Werner Buck. Toch is dat geen garantie voor de toekomst; er zijn door allerlei commissies al boekenkasten vol geschreven over duurzame landbouw. Zo’n Raad kan opschrijven wat hij wil, het blijven toch vooral grijze pakken die de plannen zelf niet uit hoeven  voeren en die zelf geen boer of ondernemer zijn – en dat maakt de kans op succes niet groter. Voor de goede orde, het zijn bekwame mensen, maar net als ik staan ze wel aan de zijlijn.
Het opvallende van dergelijke rapporten is dat ze dik zijn. Ook dit exemplaar telt 150 bladzijden van kaft tot kaft. Er staat veel in dat misschien wel waar is, maar geen nieuws bevat. Bladzijde 57 tot 115 had simpel vervangen kunnen worden door een enkele verwijzing naar het jaarlijkse Landbouw-Economisch Bericht van het LEI. U kunt het zelf nalezen; het rapport is gratis te downloaden op www.rli.nl.
Wat staat nu in het rapport? Volgens de Raad zijn er drie soorten landbouwbedrijven: het gespecialiseerde rurale bedrijf, het quasi-
industriële bedrijf en het stedelijk georiënteerde bedrijf. Bij de eerste groep moet u denken aan gewone op de landbouw gerichte gezinsbedrijven. Bij de tweede gaat het om grote glastuinbouw- en grote intensieve veehouderijbedrijven met personeel. En de derde groep bestaat uit boerenbedrijven met verbreding en verdieping, van streekproduct tot kinderopvang. Volgens de Raad hebben alle drie hun bestaansrecht, en hebben ze alle drie met andere duurzaamheidsvraagstukken te maken. Dat laatste is zeker waar, en nuttig om vast te stellen.
De Raad vindt dat er voor alle drie ruimte moet zijn in Nederland, ook voor de quasi-industriële bedrijven. Sterker nog, de overheden moeten er actief vestigingsruimte voor scheppen. Hoe dat moet? Dat weet de Raad eigenlijk niet. Ja, het moet duurzaam, het moet in dialoog tussen boer en burger, het moet schoon. Oftewel: dergelijke landbouwbedrijven moeten hun maatschappelijke bestaansrecht verdienen. De gezinsbedrijven kan dat wel lukken, maar de echt grote jongens? Daar zie ik vooral weerstand tegen, en die neemt volgens mij eerder toe dan af. En het lastige is dat steeds meer gewone gezinsbedrijven zullen veranderen in quasi-industriële ondernemingen. En dat staat niet eens in het rapport. Maar het is wel waar.

Of registreer je om te kunnen reageren.