Commentaar

814 x bekeken

Predicaat hofleverancier kost geld

Ruim een kwart van onze agrarische export, met een waarde van 18 miljard euro - gaat naar Duitsland. Omgekeerd is Nederland de grootste afnemer van Duitse agrarische producten. Oftewel, de zakelijke relatie is innig.

Het is daarom niet zo gek dat Nederland opnieuw partnerland is op de grootste voedsel- en landbouwbeurs Grüne Woche die vandaag in Berlijn begint. Het ministerie van Economische Zaken trekt 1,2 miljoen euro uit voor de presentatie, het paviljoen en huisvesting van bedrijven en Kamerleden. Kersverse staatssecretaris Sharon Dijksma zet er haar eerste schreden op het internationale landbouwpodium. Er rijdt weliswaar geen regeringstrein meer naar de Duitse hoofdstad, maar dat zegt niks over de boekingen.

Het politieke spel met bondskanselier Angela Merkel, de ministersconferentie onder leiding van minister Ilse Aigner en de handelslobby trekken publicitair de meeste aandacht, maar de Grüne Woche is toch vooral een consumentenbeurs. De organisatie rekent op meer dan 420.000 bezoekers, vooral uit Berlijn en omgeving. De beursvloer is hét visitekaartje aan deze consument.

De consument, ook in Duitsland, is steeds kritischer. Het voedsel moet veilig, lekker, welzijnsvriendelijk en duurzaam worden geproduceerd. Een praatje alleen is niet genoeg meer. De consument eist garanties. Nederlandse bedrijven kunnen in Berlijn laten zien dat zij dit wel voor elkaar hebben, en als het nog niet zover is dan stappen in die richting zetten. Zij geven daarmee meteen antwoord op de demonstranten aan de poorten. Demonstraties zijn een relatief nieuw fenomeen bij de Grüne Woche. Boeren bepleiten een eerlijke prijs, de natuur- en milieubeweging een duurzame landbouw.

Nederland is nog steeds hofleverancier van Duitsland. Om dit predicaat te behouden, moet het investeren in de relatie. Een kleine volksverhuizing en dito prijskaartje horen daar bij.

Of registreer je om te kunnen reageren.